Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12551

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
SGR 26/2134
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij Wmo-opvang

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening opvang op grond van de Wmo 2015, welke door het college van burgemeester en wethouders van Delft is afgewezen. Na afwijzing van het bezwaar heeft verzoekster beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld en beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Hoewel verzoekster en haar gezin nog in een noodwoning verblijven, is de tijdelijke toestemming van het college verlopen en is er geen concrete dreiging van ontruiming door de verhuurder. Hierdoor is geen actueel spoedeisend belang aanwezig.

De voorzieningenrechter oordeelt dat zonder spoedeisend belang alleen een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Dit is niet gebleken, aangezien het college heeft vastgesteld dat er geen problemen zijn met de zelfredzaamheid van verzoekster en haar gezin, maar sprake is van een huisvestingsprobleem.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en komt niet toe aan een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 26/2134
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. B. Özates),
en

het college van burgemeester en wethouders van Delft, het college

(gemachtigde: mr. I. Ramautar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college de aanvraag van verzoekster om opvang voor haar gezin op grond van de Wmo 2015 [1] terecht heeft afgewezen. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat er geen spoedeisend belang is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening opvang. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 25 september 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 januari 2026 op het bezwaar van verzoekster is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.1.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 april 2026 op zitting behandeld. Verzoekster is met haar baby verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en M.A. Vissers, tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
3.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang. Dat betekent in dit geval dat verzoekster de behandeling van het beroep niet kan afwachten. Pas als sprake is van spoedeisend belang komt de voorzieningenrechter toe aan een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Daarom zal de voorzieningenrechter eerst beoordelen of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening.
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen spoedeisend belang is. Het volgende is van belang.
3.3.
Het college heeft verzoekster en haar gezin tijdelijk toestemming gegeven voor een verblijf in een noodwoning voor de periode van 25 september 2025 tot 25 maart 2026 middels een maatwerkbesluit. Hoewel de periode inmiddels voorbij is, verblijft verzoekster met haar gezin nog steeds in de noodwoning die zij huurt van KesslerPerspektief. Het college heeft ter zitting toegelicht dat verzoekster een huurovereenkomst heeft met KesslerPerspektief en niet met het college. Het college zal verzoekster en haar gezin dan ook niet ontruimen, maar ziet ook geen aanleiding om het maatwerkbesluit te verlengen. Verzoekster heeft desgevraagd toegelicht dat KesslerPerspektief nog geen ontruimingsprocedure heeft gestart. Er wordt weliswaar telkens door KesslerPerspektief gevraagd om de woning zo snel mogelijk te verlaten, maar ze denken ook mee met het gezin. Dit betekent dat verzoekster en haar gezin thans nog steeds een veilige slaapplek hebben. Dat verzoekster veel stress ervaart van de situatie, is invoelbaar, maar dit betekent niet dat kan worden geoordeeld dat er een actueel spoedeisend belang is vanwege dreigende dakloosheid. Op dit moment zijn er ook geen concrete aanknopingspunten dat KesslerPerspektief een ontruimingsprocedure zal gaan starten.
3.4.
Nu er geen sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, kan de door verzoekster gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de beroepsprocedure in stand blijft. Daarvan is de voorzieningenrechter in dit geval niet gebleken. Bij het bestreden besluit heeft het college, kort samengevat, zich op het standpunt gesteld dat eiseres en haar gezin niet voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor toegang tot de maatschappelijke opvang. Er is geen sprake van problemen in de zelfredzaamheid, er is sprake van een huisvestingsprobleem. De belangen van de kinderen heeft het college bij de beoordeling betrokken.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De voorzieningenrechter komt daardoor niet toe aan een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.
- de griffier is verhinderd
om mede te ondertekenen -
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wmo 2015 = Wet maatschappelijke ondersteuning 2015