Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12521

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL25.36400
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31, zesde lid, aanhef en onder c, Vw 2000WI 2024/6Paragraaf C7/10 Vreemdelingencirculaire 2000Artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Colombiaanse vrouw wegens ongeloofwaardige verklaringen over ELN-dreiging

Eiseres, een Colombiaanse vrouw, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege bedreigingen door de guerrillagroep ELN, die ook haar stiefvader dwong te vluchten. De minister wees haar aanvraag af wegens gebrek aan geloofwaardige onderbouwing, met name over haar verblijfplaatsen en het incident met de ELN in 2023.

De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende objectief bewijs heeft geleverd, zoals een niet-verifieerbare kopie van een aangifte, en dat haar verklaringen over haar verblijfplaatsen en de bedreigingen onsamenhangend en tegenstrijdig zijn. Ook haar betoog dat de minister onvoldoende rekening hield met landeninformatie en jurisprudentie faalt.

De rechtbank concludeert dat de minister terecht de aanvraag heeft afgewezen als ongegrond. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter G.H.W. Bodt en griffier R.C. Lubbers.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36400

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.I. Siers),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres ongeloofwaardig heeft verklaard over haar gestelde problemen gerelateerd aan haar stiefvader. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 10 juli 2025 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is van Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 2002. Eiseres woonde met haar zus in Tumaco, Colombia, toen hun stiefvader moest vluchten in verband met een dreiging vanuit de paramilitaire/guerrillagroep ‘ELN’. De stiefvader van eiseres heeft asiel gekregen in Nederland. Eiseres en haar zus zijn daarom naar eigen zeggen telkens verhuisd, waaronder naar Bogota en Cali, om aan dezelfde dreiging te ontsnappen. Op enig moment in 2023 zijn eiseres en haar zus teruggegaan naar Tumaco maar zijn zij daar aan huis bedreigd door mannen van de ELN, waarop zij hebben besloten te vluchten naar Nederland. Eiseres vreest bij terugkeer door de ELN te worden vermoord.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • problemen gerelateerd aan eiseres haar stiefvader.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn. De minister stelt zich op het standpunt dat de gestelde problemen van eiseres niet met objectieve documenten zijn onderbouwd, [1] waardoor de minister dit asielmotief verder op geloofwaardigheid heeft beoordeeld. De minister vindt dat dit asielmotief ongeloofwaardig is omdat de verklaringen van eiseres daarover geen aannemelijk en samenhangend geheel vormen. [2] Omdat de afkomst van eiseres uit Colombia volgens de minister niet voldoende is voor een verblijfsvergunning concludeert hij dat de aanvraag moet worden afgewezen.
De geloofwaardigheidsbeoordeling
Heeft eiseres haar relaas onderbouwd met objectieve documenten?
5. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij haar asielrelaas niet heeft onderbouwd met objectieve documenten. Zij wijst op de door haar overgelegde kopie-aangifte van 9 april 2023. Het feit dat het hier om een kopie gaat maakt het document volgens eiseres niet minder objectief. De minister heeft volgens eiseres onvoldoende rekening gehouden met het betoog dat de Colombiaanse politie geen originelen verstrekt en dat uit Werkinstructie (WI) 2024/6 [3] bovendien volgt dat ook een kopie bij de beoordeling moet worden betrokken.
5.1.
Eiseres betoogt verder dat in de zienswijze meerdere arresten van het EHRM zijn aangehaald waaruit volgens haar blijkt dat de eis van de minister dat een asielmotief volledig wordt onderbouwd met objectief bewijsmateriaal in strijd is met rechtspraak van het Hof van Justitie en het EHRM.
6. Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de kopie van de aangifte geen objectief document is, omdat de echtheid daarvan niet kan worden geverifieerd. De rechtbank volgt niet het betoog van eiseres dat de minister de kopie-aangifte niet bij de beoordeling heeft betrokken. Op het standpunt van de minister over de waarde die aan deze kopie-aangifte wordt gehecht gaat de rechtbank later in deze uitspraak in. De rechtbank ziet verder geen reden voor het oordeel dat het criterium dat een asielmotief volledig moet worden onderbouwd met objectieve documenten in strijd is met het Unierecht of rechtspraak van het Hof van Justitie of het EHRM. De rechtbank wijst kortheidshalve op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 september 2025. [4]
Vormen de verklaringen van eiseres een samenhangend en aannemelijk geheel? [5]
7. Eiseres betoogt dat de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over de problemen met de ELN in relatie tot haar stiefvader. De rechtbank bespreekt dit standpunt hieronder aan de hand van de gronden van eiseres.
Verblijfsplaats tussen 2019 en 2023
8. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft betrokken dat zij sinds 2019 tot aan haar vlucht in 2023 iedere drie maanden is verhuisd wegens de dreiging van de ELN. Eiseres wijst in de eerste plaats op de verklaringen van haar stiefvader. Volgens eiseres blijkt uit het nader gehoor wel degelijk dat zij niet slechts zijn verhuisd naar Cali en Bogota, maar dat er sprake is van meerdere wisselingen van verblijfsplaats. Als de minister daarover twijfelde dan had hij eiseres op grond van artikel 3.113, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit daarmee moeten confronteren. Dit is volgens eiseres niet gebeurd.
8.1.
Het betoog slaagt niet. De minister werpt eiseres niet ten onrechte tegen dat zij onsamenhangend en onaannemelijk heeft verklaard over haar verblijfplaats direct voorafgaand aan het moment in 2023 waarop zij besloot te vluchten. Niet valt in te zien dat eiseres verklaart altijd (tot eind april 2023) in Tumaco te hebben gewoond en tegelijkertijd stelt aldaar problemen te hebben met de ELN en in 2019 uit Tumaco te zijn gevlucht, zoals uit de overgelegde aangifte blijkt [6] , en behoudens een paar dagen niet meer in Tumaco te hebben gewoond. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaring van eiseres over haar terugkeer naar Tumaco in 2023 bovendien niet in lijn is met de verklaringen over de problemen die zij daar naar eigen zegen ondervond van de ELN.
8.2.
De minister heeft eiseres niet ten onrechte tegengeworpen dat zij onsamenhangend en onaannemelijk heeft verklaard over haar verblijfplaatsen in Colombia vanaf 2019 tot haar vlucht. De minister werpt eiseres verder niet ten onrechte tegen dat uit haar verklaringen in het aanmeldgehoor volgt dat zij haar hele leven in Tumaco heeft verbleven, dat zij daarop verklaart dat zij slechts kort in Cali en Bogota heeft verbleven, maar dat uit haar verklaringen in het nader gehoor blijkt dat zij vanaf 2019 tot aan 2023 wisselend in Cali en Bogota (en behoudens enkele dagen in 2023, dus niet in Tumaco) heeft verbleven. De minister verwacht niet ten onrechte van eiseres dat zij duidelijk kan verklaren over haar verblijfplaats en stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat hij eiseres daartoe voldoende in de gelegenheid heeft gesteld. Uit de verklaringen van eiseres blijkt weliswaar in zeer algemene zin dat zij op meerdere plekken heeft gewoond (Tumaco, Cali en Bogota), maar blijkt niet duidelijk wanneer eiseres of welke plekken heeft gewoond. Dit heeft de minister niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen. Bovendien volgt uit het relaas van eiseres niet duidelijk dat aan alle keren dat eiseres is verhuisd daadwerkelijk asielgerelateerde omstandigheden ten grondslag lagen, maar blijkt daaruit dat de geboorte van haar dochter en financiële omstandigheden een rol speelden. [7] De minister heeft eiseres daarom ook niet ten onrechte tegengeworpen dat haar betoog, dat zij en haar zus iedere drie maanden moesten verhuizen in verband met de dreiging van de ELN niet uit haar eigen verklaringen voortvloeit en daarom ongeloofwaardig is. De minister wijst er terecht op dat eiseres haar verklaringen in het aanmeldgehoor op dit punt niet heeft gecorrigeerd.
8.3.
De rechtbank ziet gezien het algehele verloop van het gehoor geen reden voor het oordeel dat de minister eiseres onvoldoende zou hebben geconfronteerd met tegenstrijdigheden. De minister heeft over de verblijfplaatsen van eiseres uitvoerig doorgevraagd.
Het incident met de ELN
9. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte het in de zienswijze aangedragen betoog, dat [persoon A] lag te slapen en dat zij ten tijde van het bezoek van de mannen van de ELN niet thuis was, niet heeft gevolgd. Eiseres wijst op haar leeftijd ten tijde van het incident. Zij wijst er verder op dat zij de vraag bij de vreemdelingenpolitie ten tijde van het aanmeldgehoor verkeerd heeft begrepen en dat zij haar verklaring heeft gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen. Eiseres wijst erop dat [persoon A] geen belang heeft bij het verkeerd verklaren. Bovendien raken deze verklaringen volgens eiseres niet de kern van haar relaas omdat [persoon A] hoe dan ook niet thuis was ten tijde van het bezoek van de mannen van de ELN.
9.1.
Met betrekking tot het incident zelf betoogt eiseres dat de minister ten onrechte relevant heeft geacht dat eiseres volgens hem niet duidelijk heeft verklaard over haar verblijfplaats voorafgaand aan het incident en dat de verklaringen van de stiefvader van eiseres ten onrechte terzijde zijn geschoven. Eiseres wijst er nogmaals op dat er ten aanzien van de ELN ook door de minister geen binnenlands vestigingsalternatief wordt aangenomen, waaruit blijkt dat eiseres nooit veilig zal zijn voor de ELN.
10. Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres onsamenhangend en onaannemelijk heeft verklaard over het incident in 2023. Zo verklaart eiseres alleen thuis te zijn geweest tijdens het incident, verklaart zij later in het nader gehoor dat haar dochter er ook was en dat haar neefje (de zoon van haar zus) niet thuis was terwijl haar zus heeft verklaard dat het neefje wel thuis was. Anders dan eiseres lijkt te betogen raakt de verblijfsplaats van eiseres ten tijde van de bedreiging de kern van haar relaas, nu het bezoek van de ELN volgens eiseres reden was om te vluchten, zodat de minister daar waarde aan heeft mogen hechten. De rechtbank volgt niet het betoog van eiseres dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met wat eiseres hierover in de zienswijze naar voren heeft gebracht. [8] Daarin komen meerdere punten naar voren betreffende zowel eiseres als haar zus. Onduidelijk is wat eiseres in beroep met de verwijzing naar de punten 15 en 19 van de zienswijze beoogt. Zij heeft dit betoog ook niet geconcretiseerd.
10.1.
De minister heeft eiseres verder niet ten onrechte tegengeworpen dat zij summier heeft verklaard over de reden van de bedreiging door de ELN. Eiseres geeft aan niet te weten waarom zij werd bedreigd en kan niet verklaren waarom de ELN pas vier jaar na het vertrek van de stiefvader van eiseres weer bedreigingen heeft geuit. [9] De minister vindt dit niet ten onrechte bevreemdend en afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van eiseres haar asielrelaas. Daarbij komt volgens de minister ook nog dat eiseres geen verklaring heeft voor hoe de ELN haar en haar zus heeft gevonden en weet eiseres niet of zij na haar vertrek nog wordt gezocht door de ELN. [10]
De aangifte en de overige door eiseres overgelegde landeninformatie
11. Eiseres betoogt verder dat de minister zich in het bestreden besluit bedient van een cirkelredenering en dat hij de stukken waarnaar eiseres in de zienswijze heeft verwezen ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Eiseres wijst in de zienswijze op de overgelegde kopie-aangifte, de stukken uit het asieldossier van de stiefvader, het landgebonden beleid voor Colombia, [11] een artikel van de NOS [12] en informatie van de NCTV over de ELN [13] en het Algemeen Ambtsbericht Colombia van juni 2024 (ambtsbericht). De minister mag zich volgens eiseres niet op het standpunt stellen dat deze stukken niet worden gevolgd omdat eiseres ongeloofwaardig heeft verklaard, omdat uit die stukken nu juist blijkt dat zij wel geloofwaardig heeft verklaard. De minister heeft volgens eiseres onvoldoende gemotiveerd waarom de kopie-aangifte niet in positieve zin is meegewogen. [14] Uit de overgelegde landeninformatie blijkt verder dat een dreiging van de ELN onder omstandigheden kan overslaan op familieleden. Eiseres betoogt dat de minister zich niet heeft gehouden aan wat er in WI 2024/6 is opgenomen over het betrekken van documenten bij de vraag of de verklaringen van de vreemdelingen samenhangend en aannemelijk zijn. [15] Uit deze WI volgt volgens eiseres dat alle informatie die eiseres heeft overgelegd in onderlinge samenhang moet worden meegenomen in de beoordeling, waaronder dus ook de stukken en verklaringen van haar stiefvader in zijn asielprocedure. Eiseres wijst in de aanvullende gronden nog op landeninformatie over de veiligheidssituatie in Tumaco, waaronder een rapport van de EUAA. [16] Het beeld dat eiseres schetst komt volgens haar overeen met deze landeninformatie.
11.1.
Eiseres betoogt verder dat de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij pas in de zienswijze verklaarde dat zij wist van de gezinsherenigingsprocedure en later pas dat haar stiefvader in Nederland was. Dit heeft zij al in het nader gehoor verklaard. Verder is volgens eisers wel degelijk geloofwaardig dat eiseres niet heeft durven verklaren waar haar vader zat, omdat uit landeninformatie blijkt dat sommige politiemensen ook
banden kunnen hebben met de ELN. [17]
12. Het betoog slaagt niet. De minister wijst er niet ten onrechte op dat hij eiseres op meerdere punten tegenwerpt dat hij haar asielrelaas op basis van haar eigen verklaringen ongeloofwaardig vindt en dat het uitgangspunt bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van een asielrelaas de eigen verklaringen van een vreemdeling zijn. [18] Dat de verklaringen van eiseres passen binnen de door haar aangeleverde landeninformatie of binnen de verklaringen van haar stiefvader die in Nederland asiel heeft gekregen, heeft de minister niet ten onrechte onvoldoende gevonden voor een ander standpunt over de verklaringen van eiseres. Eiseres heeft immers op meerdere punten wisselend, tegenstrijdig en vaag verklaard. De door eiseres aangehaalde landeninformatie en het artikel van de NOS kunnen aan die tegenwerpingen op zichzelf niet afdoen. De minister stelt ook niet ten onrechte dat de in de zienswijze overgelegde verklaring van de moeder van eiseres niet zwaarder weegt dan de eigen verklaringen van eiseres, waarvan de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat deze ongeloofwaardig zijn.
12.1.
De minister stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres bovendien in strijd heeft verklaard met de door haarzelf overgelegde kopie-aangifte. Uit de aangifte volgt dat eiseres niet weet waar haar stiefvader zich bevond, terwijl zij in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat zij dit wel wist omdat zij is meegenomen in de gezinsherenigingsprocedure die haar stiefvader heeft doorlopen. Niet valt daarom in te zien dat eiseres in het nader gehoor weer heeft verklaard dat zij niet wist waar haar stiefvader zich bevond en daar pas achter kwam in 2023 bij haar vlucht. [19] De verklaringen van eiseres komen op dit punt bovendien niet overeen met de verklaringen van haar zus, die aangaf wel te weten dat haar ouders in Nederland woonden toen zij vluchtte. In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor en de zienswijze heeft eiseres deze verklaringen nogmaals gewijzigd en heeft zij aangedragen dat zij ten tijde van de aangifte wel wist waar haar stiefvader was, maar dat zij dit slechts niet aan de politie durfde te vertellen. Eiseres geeft geen verklaring voor waarom zij haar verklaringen uit het nader gehoor in de correcties en aanvullingen zo ingrijpend heeft gewijzigd. De minister stelt zich daarom niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres haar aanvullende verklaring in de correcties en aanvullingen en de zienswijze haar relaas eerder ongeloofwaardiger dan geloofwaardiger maken. Dat de minister niet expliciet heeft onderkend dat eiseres deze aanvullende verklaringen al bij de correcties en aanvullingen op het nader gehoor naar voren heeft gebracht en niet pas in de zienswijze maakt deze verklaringen niet minder ongeloofwaardig.
12.2.
Gezien voorgaande volgt de rechtbank dan ook niet het betoog dat de minister niet voldoende zou hebben gemotiveerd waarom hij de kopie-aangifte niet in het voordeel van eiseres heeft betrokken.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn
13. Eiseres betoogt dat gezien het rapport Colombia: Country Focus’ van de EUAA van december 2025 in Colombia sprake is van een hogere mate van willekeurig geweld dan uit het landgebonden beleid van de minister volgt. In samenhang met de individuele kenmerken van eiseres – zij is een vrouw met een klein kind en haar stiefvader is bedreigd en heeft asiel in Nederland – is daarom volgens eiseres sprake van een reëel risico op ernstige schade.
14. Het betoog slaagt niet. De minister heeft ter zitting gewezen op het meest recente landgebonden beleid uit paragraaf C7/10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en op de brief van de minister van 30 januari 2025. [20] In die brief staat - kort gezegd - dat het landgebonden beleid naar aanleiding van het ambtsbericht wordt gewijzigd, in die zin dat (onder andere) het departement Nariño, waaronder Tumaco valt, wordt aangemerkt als gebied waar sprake is van een relatief lage mate van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict. De minister heeft de door hem gehanteerde mate van willekeurig geweld blijkens het ambtsbericht gebaseerd op een verscheidenheid aan landeninformatie. De verwijzing van eiser naar het rapport van het EUAA is op zichzelf onvoldoende om aan het Landgebonden beleid ten aanzien van Colombia af te doen. De in het rapport beschreven situatie verschilt namelijk niet wezenlijk van de informatie uit het ambtsbericht. Verder heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ze vanwege de omstandigheid dat ze een alleenstaande afro-Colombiaanse vrouw is met een kind, een verhoogd risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Conclusie en gevolgen

15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, aanhef, van de Vw 2000.
2.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.
3.WI 2024/6 onder 4.1.
5.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.
6.Nader gehoor, pagina 5 t/m 7.
7.Aanmeldgehoor, pagina’s 7, 14 en 15.
8.Zienswijze, punten 15 en 19,
9.Nader gehoor, pagina’s 11-20.
10.Nader gehoor, pagina’s 11 t/m 15 en 19.
11.Paragraaf C7/10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
12.NOS, 7 mei 2024, ‘
13.Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid.
14.Eiseres wijst nog op het arrest van het Hof van Justitie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478 (LH).
15.Zie WI 2024/6 onder 4.2.
16.EUAA,16 december 205, ‘Colombia: Country Focus’, pagina’s 59, 64, 78 en de samenvatting.
17.Eiseres wijst op het ambtsbericht, onder 1.5.7.
18.Dat volgt uit paragraaf C1/4.3.2.3 van de Vc 2000 en uit onderdeel 4.2. onder c van WI 2024/6.
19.Aanmeldgehoor, pagina 15 en nader gehoor, pagina 8.
20.Zie de brief van 30 januari 2025 (kenmerk: 5865377). Zie ook de beslisnota bij het landenbeleid voor Colombia, Kamerstukken II, 2024-2025, 19 637, nr. 3345.