Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12512

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.24309
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

Bij besluit van 28 april 2026 legde de minister van Asiel en Migratie aan eiser een maatregel van vreemdelingenbewaring op op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding wegens eerdere onrechtmatige detentie.

De rechtbank overwoog dat eiser acht dagen onrechtmatig in detentie had gezeten, waarvoor reeds een schadevergoeding was uitgekeerd. Deze eerdere onrechtmatigheid maakt de huidige maatregel in beginsel niet onrechtmatig, tenzij sprake is van een ernstige schending van fundamentele rechten of een opeenstapeling van ernstige gebreken.

De rechtbank oordeelde dat de acht dagen onrechtmatige detentie niet zodanig ernstig zijn dat de huidige maatregel onrechtmatig wordt. Bovendien is niet in geschil dat eiser zich aan toezicht onttrekt en de uitzettingsprocedure belemmert. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24309

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

1. Bij besluit van 28 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 5 mei 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 6 mei 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 11 mei 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
3. Eiser heeft op grond van de voorgaande maatregel enige tijd onrechtmatig in detentie gezeten. Eiser voert aan dat dit gebrek zo ernstig is dat het doorwerkt in de onderhavige maatregel en dat deze daardoor ook onrechtmatig is geworden.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor acht dagen onrechtmatige detentie schadevergoeding heeft uitgekeerd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser acht dagen onrechtmatig heeft vastgezeten.
6. Eiser stelt terecht dat de eerdere maatregel van bewaring te laat is omgezet. Dit is een onrechtmatigheid die aan de eerdere maatregel van bewaring kleeft. Deze onrechtmatigheid kan in beginsel niet doorwerken in de daaropvolgende (huidige) inbewaringstelling en maakt de huidige maatregel in beginsel niet onrechtmatig. Alleen in het geval van een ernstige schending van een fundamenteel recht of van een opeenstapeling van ernstige gebreken voorafgaand aan de nieuwe maatregel kan van deze hoofdregel worden afgeweken.
7. Naar het oordeel van de rechtbank zijn acht dagen onrechtmatige detentie niet zo ernstig dat de huidige maatregel daardoor onrechtmatig wordt. Redengevend daarvoor is dat verweerder eiser heeft gecompenseerd voor de onrechtmatige detentie. Verder is niet in geschil dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert en dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is [1] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.