ECLI:NL:RBDHA:2026:12490
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding toegekend na niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging verblijf
Verzoeker diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 26 januari 2026 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoeker zijn beroep introk en een proceskostenvergoeding vorderde.
De minister gaf aan bereid te zijn de proceskosten te vergoeden. De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep en dat toewijzing van de proceskostenvergoeding passend was. Gezien de lichte aard van de zaak en het inschakelen van een professionele hulpverlener werd een vergoeding van €467,- toegekend.
Daarnaast werd het verzoek van verzoeker om vrijstelling van griffierecht vanwege betalingsonmacht toegewezen, waardoor de minister niet gehouden is het griffierecht te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 24 april 2026.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van €467,- aan proceskosten en wijst vrijstelling van griffierecht toe.