ECLI:NL:RBDHA:2026:12488
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing proceskostenvergoeding wegens niet tijdig beslissen op verblijfsvergunningaanvraag
Verzoeker diende beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 11 maart 2026 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoeker zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep door alsnog een besluit te nemen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit Proceskosten bestuursrecht kon de rechtbank de minister veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Gezien het lichte gewicht van de zaak en het inschakelen van een professionele juridische hulpverlener, werd een wegingsfactor van 0,5 toegepast. De rechtbank kende een proceskostenvergoeding toe van €467,-. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 23 april 2026.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €467,- aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de verblijfsvergunningaanvraag.