Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12480

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.3318
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in Dublinprocedure wegens verantwoordelijkheid Duitsland

De zaak betreft een verzoeker die een asielaanvraag indiende, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen op grond van de Dublinverordening.

De verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek zonder zitting en constateerde dat de rechtbank reeds uitspraak had gedaan in de hoofdzaak onder zaaknummer NL26.3317.

Gezien de uitspraak in de hoofdzaak was een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat Duitsland de verantwoordelijke lidstaat is en de hoofdzaak reeds is behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3318

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

1. Bij besluit van 19 januari 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. [1] Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

2. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. [2]
3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.3317, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van V.M. de Koning, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Het beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL263317.
2.Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).