ECLI:NL:RBDHA:2026:12467

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
AWB 25/18335
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens intrekken besluit verblijfsdocument EU/EER

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. De minister heeft op 8 oktober 2025 alsnog een besluit genomen, waarna eiseres haar beroep handhaafde.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het doel van het beroep – het verkrijgen van een beslissing – is bereikt en eiseres geen procesbelang meer heeft. Het beroep tegen het inhoudelijke besluit van 8 oktober 2025 wordt doorverwezen naar de minister om als bezwaar te worden behandeld.

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres wegens de te late besluitvorming. De proceskosten worden vastgesteld op €467,-, gebaseerd op een vast bedrag met een wegingsfactor van 0,5 vanwege de beperkte aard van de procedure. Daarnaast moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht van €194,- vergoeden.

De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober op 16 april 2026 in Utrecht. Eiseres wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het inhoudelijke besluit wordt verwezen naar de minister als bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25 / 18335

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep eiseres heeft ingediend, omdat de minister niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.
Op 8 oktober 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag.
Eiseres heeft haar beroep gehandhaafd.

Overwegingen

1.
De rechtbank vindt het in de zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting. [1]
Hoe oordeelt de rechtbank over het beroep?
2. Het beroep van eiseres tegen het niet-tijdig beslissen door de minister is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank zal geen uitspraak doen over de vraag of eiseres gelijk had met haar beroep. Dit is om de volgende reden. Eiseres wilde met haar beroep bereiken dat de minister alsnog zou beslissen op haar aanvraag. Omdat de minister inmiddels heeft beslist, heeft het beroep van eiseres geen zin meer. Eiseres heeft zogezegd geen procesbelang meer bij haar beroep.
3. Het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag heeft mede betrekking op het reële besluit, aangezien het reële besluit niet geheel aan het beroep tegemoetkomt.
4. Eiseres voert in dit verband aan dat de minister ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen. Omdat dit besluit een besluit op de aanvraag is, verwijst de rechtbank het beroep naar de minister om daar als bezwaar te worden behandeld. [2]
Veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiseres?
5. De rechtbank ziet aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit omdat de minister het besluit van
8 oktober 2025 te laat heeft genomen en eiseres terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van dat besluit. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen. [3] De rechtbank stelt de proceskosten van eiseres vast op € 467,-. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister aan eiseres het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verwijst het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 8 oktober 2025, naar de minister om verder als bezwaarschrift te behandelen;
- bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van M.H.G.P. Tober, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Voetnoten

1.Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb.
3.Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).