Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12453

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
692225
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 194 RvArt. 80 lid 1 UModVoArt. 81 UModVoArt. 82 lid 1 UModVo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing inbreukvordering model- en auteursrecht manden Drypot wegens ontbreken inbreuk en slaafse nabootsing

Eiseres, houdster van Uniemodelregistraties en auteursrechten op de Drypot-manden, vordert dat gedaagde wordt verboden haar manden te verhandelen wegens vermeende inbreuk en slaafse nabootsing.

De rechtbank oordeelt dat de manden van gedaagde geen inbreuk maken op de modelrechten omdat deze een gevlochten bodem bevatten, terwijl de Drypot-manden juist een ontbrekende bodem hebben, wat een wezenlijk onderscheidend kenmerk is. De beschermingsomvang van de modellen is beperkt vanwege het vormgevingserfgoed en de geringe ontwerpvrijheid.

Ook auteursrechtelijk worden de Drypot-manden als werken erkend vanwege de creatieve keuze voor het ontbreken van de bodem, maar gedaagde heeft deze creatieve elementen niet overgenomen. Het beroep op slaafse nabootsing faalt omdat de manden van gedaagde geen verwarring veroorzaken en gebruik maken van standaardvormen.

De vorderingen tot inzage in administratie worden afgewezen wegens ontbreken van rechtmatig belang. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.

Uitkomst: Alle vorderingen van eiseres worden afgewezen wegens ontbreken van inbreuk op model- en auteursrecht en geen slaafse nabootsing.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Civiel recht
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: C/09/692225 / HA ZA 25-846
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. M. Driessen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A. Melsen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 juli 2025,
- producties EP01 tot en met EP23 van [eiseres],
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 12 november 2025,
- producties GP01 tot en met GP06 van [gedaagde],
- de mondelinge behandeling van 25 februari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] is een bedrijf gespecialiseerd in (interieur)accessoires, voornamelijk manden, potten en meubels gemaakt van rotan. [eiseres] verkoopt sinds 2013de zogeheten ‘Drypot’-manden, die zijn samengesteld uit een plastic binnenpot en een gevlochten rotan buitenzijde (hierna: de Drypot(s) of Drypot-manden).
2.2.
[eiseres] is houdster van de volgende Uniemodelregistraties (hierna: de Drypot-Modellen):
- een Uniemodelregistratie met registratienummer 002227397-0002, geregistreerd op 25 april 2013, voor ‘Baskets for holding flowerpots’. Bij deze modelregistratie horen de volgende afbeeldingen:
- een Uniemodelregistratie met registratienummer 002227397-0001, geregistreerd op 25 april 2013, voor ‘Baskets for holding flowerpots’. Bij deze modelregistratie horen de volgende afbeeldingen:
- een Uniemodelregistratie met registratienummer 002139287-0002, geregistreerd op 20 november 2012, voor ‘Baskets’. Bij deze modelregistratie horen de volgende afbeeldingen:
2.3.
[gedaagde] richt zich sinds 2010 op het leveren van rotan manden en keramiek potten. Vanaf 2022 biedt [gedaagde] bepaalde rotanmanden aan onder de naam ‘
water baskets’, bestaande uit een plastic binnenpot en een rotan buitenzijde (hierna: de
water baskets). De
water basketsworden in verschillende afmetingen op de markt gebracht onder de namen ‘Seline’, ‘Bridget’ en ‘Pauline’. Ter illustratie dienen de volgende afbeeldingen:
2.4.
In november 2023 heeft [eiseres] op een beurs in Aalsmeer de
water basketsvan [gedaagde] gezien. Daarvan heeft zij de volgende foto’s gemaakt:
2.5.
In januari 2024 heeft [eiseres]
water basketsvan [gedaagde] aangetroffen op een beurs in Duitsland, waarvan zij onder meer de volgende foto’s heeft gemaakt:
2.6.
Op 2 december 2024 was in het televisie-programma ‘Keuringsdienst van waarde’ de showroom te zien van [gedaagde]. Daarbij waren de ‘Seline’-, ‘Pauline’- en ‘Bridget’-manden in de showroom te zien. De onderstaande afbeeldingen dienen ter illustratie:
2.7.
Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, heeft [eiseres] op 14 februari 2025 conservatoir bewijsbeslag gelegd onder [gedaagde]. De deurwaarder heeft een gedetailleerde beschrijving opgemaakt en 3 monsters in gerechtelijke bewaring genomen. Namens [gedaagde] is op 21 februari 2025 toestemming gegeven aan de deurwaarder tot afgifte aan [eiseres] van hetgeen in (bewijs)beslag is genomen. [eiseres] heeft schermafdrukken, monsters en het
proces-verbaal met foto’s vervolgens ontvangen. [gedaagde] heeft geen verdere informatie willen verstrekken aan [eiseres].

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert dat het de rechtbank Den Haag behage bij vonnis volledig uitvoerbaar bij voorraad:
1. te verklaren voor recht dat gedaagde inbreuk maakt op de auteursrechten en/of Uniemodelrechten van [eiseres] met betrekking tot de DRYPOT®-manden, althans subsidiair dat gedaagde onrechtmatig handelt, door het gebruik, de openbaarmaking en verveelvoudiging (daaronder mede begrepen maar daartoe niet beperkt: het (laten) vervaardigen, aanbieden, invoeren, uitvoeren, in de handel brengen, verkopen of anderszins ter beschikking stellen aan derden, leveren, tentoonstellen, in voorraad hebben en afbeelden in brochures, op websites of anderszins) van de door en/of namens [gedaagde] aangeboden SBP-manden zoals afgebeeld en beschreven in deze dagvaarding, althans variaties daarop die een ongeoorloofde verveelvoudiging zijn van dan wel die geen andere algemene indruk
wekken dan de DRYPOT®-manden of, subsidiair, daarmee verwarringwekkend overeenstemmen;
2. te verklaren voor recht dat gedaagde gehouden is de als gevolg van de handelingen onder 1. door eiseres geleden schade aan haar te vergoeden;
3. gedaagde te bevelen met onmiddellijke ingang na betekening van het ten deze te wijzen vonnis elke inbreuk op de auteursrechten en de Uniemodelrechten van [eiseres] met betrekking tot de DRYPOT®- manden te staken en gestaakt te houden, onder meer door onmiddellijk te staken en gestaakt te houden elk gebruik en elke openbaarmaking en verveelvoudiging (daaronder mede begrepen maar daartoe niet beperkt: het (laten) vervaardigen, aanbieden, invoeren, uitvoeren, in de handel brengen, verkopen of anderszins ter beschikking stellen aan derden, leveren, tentoonstellen, in voorraad hebben en afbeelden in brochures, op websites of anderszins) van de door en/of namens [gedaagde] aangeboden SBP-manden zoals afgebeeld en beschreven in deze dagvaarding, althans variaties daarop die een ongeoorloofde verveelvoudiging zijn van dan wel die geen andere algemene indruk
wekken dan de DRYPOT®-manden;
4. ( subsidiair) gedaagde te bevelen met onmiddellijke ingang na betekening van het ten deze te wijzen vonnis elk onrechtmatig handelen jegens [eiseres] te staken en gestaakt te houden, door onmiddellijk te staken en gestaakt te houden elke slaafse nabootsing van de DRYPOT®-manden, waaronder maar niet beperkt tot het (laten) vervaardigen, aanbieden, invoeren, uitvoeren, in de handel brengen, verkopen of anderszins ter beschikking stellen aan derden, leveren, tentoonstellen, in voorraad hebben en afbeelden in brochures, op websites of anderszins en elk ander gebruik van de SBP-manden, zoals genoemd en afgebeeld in deze dagvaarding en/of alle andere manden die een slaafse nabootsing zijn van de DRYPOT®-manden;
5. gedaagde te bevelen binnen vijf (5) werkdagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis aan de advocaat van eiseres opgave te doen van:
a. de totale hoeveelheid door/namens [gedaagde] geproduceerde, bestelde, ingekochte/geïmporteerde en ontvangen SBP-manden zoals genoemd en afgebeeld in deze dagvaarding, voor zover dit afwijkt van de hoeveelheid zoals volgt uit het bewijsbeslag;
de totale hoeveelheid door/namens [gedaagde] uitgebrachte offertes ten aanzien van de SBP-manden alsmede de totale hoeveelheid verkochte en/of anderszins afgeleverde SBP-manden als genoemd en afgebeeld in deze dagvaarding, een en ander uitgesplitst naar afnemer en land waarin de afnemer gevestigd is;
de inkoopprijzen, verkoopprijzen en het totale bedrag van de als gevolg van de verhandeling van de SBP-manden als genoemd en afgebeeld in deze dagvaarding genoten bruto- en nettowinst;
de totale hoeveelheid bij gedaagde en alle aan gedaagde verbonden vennootschappen/personen en bij houders namens gedaagde in voorraad zijnde SBP-manden zoals genoemd en afgebeeld in deze dagvaarding, inclusief showroommodellen;
de naam- en adresgegevens en alle overige contactgegevens van alle bij de verhandeling en productie van de SBP-manden zoals genoemd en afgebeeld in deze dagvaarding betrokken (rechts)personen, daaronder begrepen maar daartoe niet beperkt, producenten en afnemers (uitgezonderd consumenten); een en ander onder overlegging van (duidelijk leesbare kopieën van) alle betreffende bewijsstukken (waaronder maar niet beperkt tot inkoop- en verkoopfacturen) waaruit duidelijk blijkt dat de opgevraagde informatie juist is;
6. gedaagde te bevelen binnen drie (3) werkdagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis al haar afnemers en potentiële afnemers aan wie door en/of namens gedaagde een offerte is gestuurd met betrekking tot de in deze dagvaarding genoemde en afgebeelde SBP-manden en/of aan wie SBP-manden zijn geleverd, per e-mail en per aangetekende brief, op
normaal briefpapier en zonder enig begeleidend commentaar in welke vorm dan ook, het volgende mee te delen en te verzoeken:
Aan Nederlandstalige (potentiële) afnemers:
‘URGENT – ‘Waterbaskets’ Seline, Bridget en Pauline
Inbreuk en onrechtmatig handelen
Mijne dames en heren,
Hierbij bericht ik u namens [gedaagde] B.V. dat wij zogenoemde waterbaskets hebben aangeboden en verkocht onder de merken Seline, Bridget en Pauline, in diverse maten onder de volgende artikelnummers:
Deze waterbaskets zien er als volgt uit:
Daarmee hebben wij inbreuk gemaakt op de exclusieve auteursrechten en Uniemodelrechten van [eiseres] BV met betrekking tot de door haar ontworpen rotan
manden bekend onder het merk DRYPOT en hebben wij onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres]. Wij hebben het aanbieden en de verkoop van de waterbaskets op last van de rechtbank Den Haag onmiddellijk gestopt.
Wij verzoeken u de aan u geleverde waterbaskets Seline, Bridget en Pauline per omgaande aan ons te retourneren waarbij de door u betaalde inkoopprijs en te maken verzendkosten binnen zeven dagen zullen worden gerestitueerd.
Indien u een offerte heeft ontvangen en/of bestelling heeft geplaatst, maar nog geen waterbaskets geleverd heeft gekregen, verzoeken wij u de offerte als niet-geschreven en de bestelling als geannuleerd te beschouwen. De eventuele reeds betaalde inkoopprijs zal binnen zeven dagen na ontvangst van dit bericht worden gerestitueerd.
Hoogachtend,
[gedaagde] B.V.’
Aan niet-Nederlandstalige (potentiële) afnemers:
‘URGENT – ‘Waterbaskets’ Seline, Bridget and Pauline
Infringement and unlawful acts
Dear Sirs,
I hereby inform you on behalf of [gedaagde] B.V. that we have offered and sold so-called waterbaskets under the brand names Seline, Bridget and Pauline, in various sizes under the following item numbers:
These water baskets look as follows:
In doing so, we have infringed the exclusive copyrights and EU design rights of [eiseres] BV with regard to the rattan baskets it has designed under the known brand name DRYPOT and we have acted unlawfully towards [eiseres]. We have immediately stopped offering and selling the water baskets as ordered by the District Court of The Hague.
We kindly request that you return the water baskets Seline, Bridget and Pauline delivered to you by return of post. We will refund the purchase price you paid and the shipping costs within seven days.
If you have received a quotation and/or placed an order but have not yet received any water baskets, we request that you consider the quotation as not having been made and the order as cancelled. Any purchase price already paid will be refunded within seven days of receipt of this message.
Yours sincerely,
[gedaagde] B.V.’
en daarvan binnen drie (3) werkdagen na verzending deugdelijk bewijs over te leggen aan de advocaat van eiseres door middel van toezending van kopieën en verzendbewijzen van alle aan de (potentiële) afnemers verzonden brieven/e-mails;
7. gedaagde te bevelen binnen tien (10) werkdagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis op eigen kosten de SBP-manden die niet door afnemers zijn geretourneerd (zoals bedoeld onder sub 5/6), terug te halen bij die afnemers of locaties waar de SBP-manden zich bevinden, en deze manden aan [eiseres] af te geven conform het onder 8.
gevorderde;
8. gedaagde te bevelen binnen vijftien (15) werkdagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de gehele voorraad SBP-manden als genoemd en afgebeeld in deze dagvaarding (waaronder de geretourneerde producten als bedoeld onder 5/6) op eigen kosten franco magazijn van [eiseres] te [plaats] aan [adres] af te geven ter vrije beschikking van eiseres en voor zover nog na deze periode SBP-manden worden ontvangen ten gevolge van het onder 5/6 gevorderde of anderszins, deze binnen twee (2) dagen na ontvangst af te geven op het hiervoor bedoelde adres ter vrije beschikking van eiseres;
9. gedaagde te bevelen binnen vijftien (15) werkdagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de gehele voorraad SBP-manden als genoemd en afgebeeld in deze dagvaarding op eigen kosten franco magazijn van [eiseres] te [plaats] aan [adres] af te geven ter vrije beschikking van eiseres;
alles, te weten het sub 3 t/m 9 gevorderde, op verbeurte van een aan eiseres te verbeuren dwangsom van € 10.000 (zegge: tienduizend euro) ineens voor ieder niet nagekomen bevel, alsmede € 10.000 (zegge: tienduizend euro) voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de niet-nakoming voortduurt;
10. gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres als gevolg van voornoemd inbreukmakend en onrechtmatig handelen geleden schade en alsnog te lijden schade, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
11. gedaagde te veroordelen in de volledige kosten van dit geding, voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op handhaving van intellectuele eigendomsrechten van [eiseres] op grond van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met nakosten.
3.2.
[eiseres] grondt haar vorderingen op inbreuk van haar Uniemodelrechten en/of van haar auteursrechten, waarbij zij stelt dat de
water basketsvan [gedaagde] in wezen kopieën zijn van de
Drypot-manden van [eiseres]. Subsidiair beroept [eiseres] zich op onrechtmatige daad (slaafse nabootsing), omdat de Drypot-manden een eigen, onderscheidende plaats innemen op de Nederlandse markt (en in andere landen). Er zijn in Nederland geen manden te koop die dezelfde vormgeving en uiterlijk hebben. Zonder aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid van SBP-manden afbreuk te doen, had [gedaagde] voor een andere vormgeving kunnen en moeten kiezen.
3.3.
[eiseres] heeft in een aflevering van het KRO-NCRV-onderzoeksprogramma Keuringsdienst van waarde over ‘duurzaam rotan’ gezien dat de inbreukmakende producten in de showroom [gedaagde] staan en zijn opgeslagen. Uit het gelegde bewijsbeslag volgt dat [gedaagde] deze producten vanuit haar showroom annex magazijn verhandelt in Nederland en/of de EU. [eiseres] heeft op de voet van artikel 194 Rv Pro [1] recht op- en belang bij (verdere) inzage in de administratie en bedrijfsgegevens van [gedaagde].
3.4.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure op de voet van artikel 1019h Rv. [gedaagde] heeft geen vermeerdering met de wettelijke rente gevorderd.
3.5.
[gedaagde] stelt dat de vormgeving van de manden het gevolg is van het gebruik van traditionele elementen van rotanmanden, zoals deze al decennialang bestaan. Dit volgt ook uit oudere modellen, openbaarmakingen en octrooien die [gedaagde] heeft gevonden. Het principe van het gebruik van een binnenpot (of binnen-'zak') bij plantenbakken/manden bestaat ook al sinds jaar en dag. Het vernieuwende element van de Drypots van [eiseres] betreft de bodem zónder doorgevlochten rotan. [gedaagde] heeft dat element niet overgenomen. [gedaagde] levert de
water basketsniet in de EU, zodat van inbreuk geen sprake is. Op grond van artikel 194 lid 2 Rv Pro kan [gedaagde] weigeren om verzochte informatie te verstrekken nu het gaat om vertrouwelijke bedrijfsinformatie (er is daarmee sprake van gewichtige redenen). Partijen zijn concurrenten en uit de beslaglegging is niet gebleken dat er verkocht/geleverd wordt in- of vanuit gebieden waar [eiseres] bescherming geniet voor diens manden.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
Voor zover [eiseres] aan haar vorderingen inbreuk op het Model ten grondslag heeft gelegd, is deze rechtbank, gelet op de vestigingsplaatsen van [gedaagde] in Nederland, internationaal en relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres] op grond van artikel 80 lid Pro 1, artikel 81 aanhef Pro en onder a en artikel 82 lid 1 UModVo Pro, in samenhang met artikel 3 van Pro de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen.. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Europese Unie.
4.2.
Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op auteursrecht dan wel slaafse nabootsing (onrechtmatig handelen ex artikel 6:162 BW Pro [2] ) is de rechtbank bevoegd alleen al omdat haar bevoegdheid niet is bestreden. Deze bevoegdheid is beperkt tot Nederland.
Modelrecht
4.3.
In geschil is de vraag of [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de modelrechten of het auteursrecht van [eiseres] op de
Drypots, dan wel of [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. De rechtbank begrijpt in dat verband dat de vorderingen zijn ingesteld als primair, subsidiair en meer subsidiair. Eerst zullen de vorderingen uit hoofde van de gestelde inbreuk op de Drypot-Modellen worden beoordeeld.
4.4.
De rechtbank oordeelt dat de
water basketsvan [gedaagde] geen inbreuk maken op de Uniemodelrechten van [eiseres]. Het volgende is daartoe redengevend.
Juridisch kader
4.5.
Een Uniemodel wordt op grond van artikel 4 lid 1 UModVo Pro [3] beschermd indien en voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft. Een ingeschreven Uniemodel wordt, gelet op artikel 5 lid 1 aanhef Pro en onder b UModVo, als nieuw beschouwd indien geen identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld vóór de datum van depot. Het publiek bestaat uit ingewijden in de betrokken sector die in de Europese Unie werkzaam zijn. Ingevolge artikel 6 lid 1 aanhef Pro en onder b UModVo wordt een ingeschreven Uniemodel geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die vóór de eerdergenoemde datum voor het publiek beschikbaar zijn gesteld (het vormgevingserfgoed).
4.6.
Bij beoordeling van een gestelde inbreuk moet het volgende in aanmerking worden genomen. Volgens artikel 10 lid 1 UModVo Pro omvat de beschermingsomvang van een Gemeenschapsmodel elk model dat bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt. Volgens lid 2 wordt bij het beoordelen van de draagwijdte van de bescherming rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model. Bij de vergelijking is het model zoals ingeschreven in beginsel maatgevend voor de beschermingsomvang. Bij de beoordeling van de algemene indruk die door de betreffende modellen wordt gewekt, kunnen de daadwerkelijk verhandelde voortbrengselen in aanmerking worden genomen voor zover dit een bevestiging oplevert van wat uit het model zoals ingeschreven blijkt, dus enkel ter verduidelijking, om al eerder getrokken conclusies te bevestigen. [4] Tussen de beantwoording van de vragen of een model geldig is, en wat de beschermingsomvang daarvan is, bestaat in die zin een verband dat, indien vaststaat dat een model geldig is, de beschermingsomvang daarvan (i) afhankelijk is van de afstand die bestaat tussen het model en eerdere soortgelijke modellen, en (ii) ten opzichte van latere modellen niet groter is dan de afstand die bestaat tussen het model en eerdere soortgelijke modellen. [5]
4.7.
De ‘geïnformeerde gebruiker’ is een gebruiker die niet slechts gemiddeld, maar in hoge mate aandachtig is, hetzij door zijn persoonlijke ervaring, hetzij door zijn uitgebreide kennis van de betrokken sector. Deze gebruiker is gepositioneerd tussen de – op het gebied van het merkenrecht gehanteerde – gemiddelde consument, van wie geen enkele specifieke kennis wordt verwacht en die de strijdige modellen in de regel niet rechtstreeks vergelijkt, en de vakman met grondige technische deskundigheid. Voor wat betreft het aandachtsniveau van deze geïnformeerde gebruiker betekent dit dat deze weliswaar niet de redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende gemiddelde consument is die een model gewoonlijk als een geheel waarneemt en niet op de verschillende details ervan let, maar dat het evenmin gaat om de vakman die in detail de minieme verschillen die mogelijkerwijs tussen de conflicterende modellen bestaan, kan onderscheiden. Het betreft de gebruiker die, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, de in de betrokken sector bestaande verschillende modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau bij gebruik ervan. [6]
4.8.
In dit geval gaat de rechtbank er van uit dat de geïnformeerde gebruiker een inkoper is van bloempotten en -manden, die als zodanig kennis heeft van manden en bloempotten die gemaakt zijn van gevlochten rotan en die verschillende rotan-vlechttechnieken kan onderscheiden.
De modellen zijn geldig
4.9.
[gedaagde] betwist dat de Modellen nieuw zijn en een eigen karakter hebben. [gedaagde] heeft echter geen reconventionele vordering tot nietigheid van de Modellen ingesteld. De Modellen zijn in stand gebleven bij een voor het EUIPO gevoerde nietigheidsprocedure.
4.10.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 24, 85 lid 1 en 90 lid 2 UModVo, in onderlinge samenhang gelezen, heeft daarom in deze procedure te gelden dat de Modellen voor rechtsgeldig moeten worden gehouden en dat bij de vraag of daarop al dan niet inbreuk wordt gemaakt, alle argumenten die ertoe strekken die geldigheid aan te vechten buiten beschouwing dienen te blijven.
Er is geen inbreuk op het modelrecht van [eiseres]
4.11.
Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de vraag of de
water basketsvan [gedaagde] binnen de reikwijdte vallen van de aan de Modellen te ontlenen bescherming.
4.12.
De rechtbank stelt voorop dat de inhoud van de inschrijving als geheel - voor de geïnformeerde gebruiker, die het register raadpleegt - de algemene indruk bepaalt, en daarmee de beschermingsomvang van het model. Als er meer afbeeldingen zijn (bij een enkelvoudig model), zoals in dit geval van de buitenkant, de binnenkant en de onderkant, zal de geïnformeerde gebruiker aan alle afbeeldingen aandacht besteden, dus ook aan de onderkant. Dit kan anders zijn als de onderkant van het voortbrengsel bij normaal gebruik niet zichtbaar is. [7]
4.13.
[eiseres] heeft de volgende kenmerken opgesomd als karakteristiek voor de Drypot-manden:
  • i) Materiaal van de mand: rotan
  • ii) Gebruik van de volledige, dikste versie van rotan in plaats van gespleten materiaal
  • iii) Kleur: grey wash
  • iv) De keuze voor een licht conische vorm
  • v) Eén of twee strengen rotan zijn vanaf de onderkant van de mand doorgevlochten tot in de rand aan de bovenkant om in de ronde vorm van de mand te passen en het ontwerp een meer samenhangende uitstraling te geven
  • vi) Het gebruik van een (gerecyclede) plastic binnenpot
  • vii) Er is een rand aan de boven- en onderkant geweven om de Drypot-mand een luxueuzere uitstraling te geven
  • viii) De rand aan de bovenkant valt iets naar binnen (dit geldt niet voor Uniemodelregistratie nr. 002139287-0002, wel voor de versie die [eiseres] op de markt brengt)
  • ix) Door het rotan niet helemaal tot op de bodem door te weven, heeft de Drypot-mand een zwevend effect gekregen
  • x) Over het geheel genomen vertoont het ontwerp van de Drypot-mand vloeiende lijnen en de kenmerken geven de Drypot-mand een luxe en samenhangende uitstraling.
4.14.
[gedaagde] heeft betwist dat deze kenmerken specifiek zijn voor de Drypot-Modellen van [eiseres]. [gedaagde] heeft gewezen op het vormgevingserfgoed. Zij meent dat de ook door [eiseres] gebruikte rotan-vlechttechniek een gebruikelijke methode is. De vormgeving en vlechttechnieken van rotanmanden zijn al sinds jaar en dag bekend, volgens [gedaagde]. Ter illustratie van haar standpunt heeft [gedaagde] een handboek uit 1909 overgelegd, ‘Construction Work Rural and Elementary Schools’. [gedaagde] heeft specifiek verwezen naar de volgende afbeeldingen uit dit boek:
afbeelding pagina 74 ‘Construction Work Rural and Elementary Schools’
afbeelding pagina 78 ‘Construction Work Rural and Elementary Schools’
afbeelding pagina 83 ‘Construction Work Rural and Elementary Schools’.
4.15.
[gedaagde] heeft eveneens gewezen op een boek uit 1916, ‘Practical Basketry’. [gedaagde] heeft specifiek verwezen naar de volgende afbeeldingen uit dit boek:
4.16.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] tevens het standpunt ingenomen dat een gevlochten rand, zowel aan de onder- als aan de bovenkant van een mand, noodzakelijk is om te voorkomen dat de scherpe uiteinden van de rotan-strengen naar buiten steken. Deze vorm is dus uitsluitend technisch bepaald, volgens [gedaagde]. De ‘grey wash’-kleur van de Drypot-manden ontstaat door een rottingsproces wanneer de rotan-twijgen in modder worden geweekt om het vlechten te versoepelen, en is daarom ook uitsluitend een gevolg van het technische procedé, aldus [gedaagde]. [eiseres] heeft dat niet bestreden. Gevolg hiervan is dat deze kenmerken bij de beoordeling van de beschermingsomvang geen rol kunnen spelen, waarbij overigens wordt opgemerkt dat het modeldepot in zwart-wit is, zodat de kleur – wat daar ook van zij – niet in de beoordeling kan worden betrokken.
4.17.
De rechtbank oordeelt dat een ontwerper van [eiseres] een gemiddelde mate van ontwerpvrijheid heeft, gelet op de door [gedaagde] overgelegde vergelijkingen van de Modellen met het vormgevingserfgoed in samenhang bezien met de beoordeling van de Drypot-Modellen door het EUIPO. Binnen de noodzaak om van rotan een mand te vlechten die om een bloempot past, staan een ontwerper vele vormen ter beschikking. In het geval van de Drypot-Modellen heeft de ontwerper echter in zeer beperkte mate van die vrijheid gebruik gemaakt, hetgeen de beschermingsomvang van de Drypot-Modellen beperkt.
4.18.
De gekozen rotan-vlechtmethode kenmerkt zich door een eenvoudige, gebruikelijke manier van vlechten. De conische vorm, de naar binnen toelopende bovenrand en de bredere onderrand zijn (eenvoudig) in het vormgevingserfgoed terug te vinden. De rechtbank ziet in de afbeeldingen 8, 13 en 73 in ‘Practical Basketry’ (zie r.o. 4.15) de vormgevingskenmerken (i), (ii), (iv), (v), (vii) en (viii) van de Drypot-manden terug. Specifiek in model 10, 13 en 17 is de vorm van de Drypot-manden in één enkel model te herkennen. Kenmerken (iii), (vi) en (x) zijn niet af te leiden uit het modeldepot. Voor zover de materiaalkeuze al kenbaar is uit de modelinschrijvingen (dikke strengen in plaats van dunne of gespleten strengen), is zij niet of nauwelijks onderscheidend ten opzichte van het vormgevingserfgoed, zodat de beschermingsomvang gering is.
4.19.
Het meest onderscheidende element van de Drypot-Modellen ten opzichte van het vormgevingserfgoed is het ontbreken van een gevlochten rotan-bodem (kenmerk (ix)), die aan de Drypot-Modellen een donkere rand aan de onderzijde geeft wanneer zij op de grond staan (waaraan [eiseres] refereert als ‘het zwevende effect’). Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de Modellen ten opzichte van het door [gedaagde] aangedragen vormgevingserfgoed een geringe afstand nemen van eerdere rotan-manden, namelijk slechts voor zover het manden betreft zonder bodem (waarvan [gedaagde] geen voorbeelden heeft aangedragen). De ontbrekende bodem is bij normaal gebruik zichtbaar, in die zin dat een rand van de plastic binnenpot zichtbaar is. Hieruit volgt eveneens dat de beschermingsomvang van de Drypot-manden gering is.
4.20.
In de modeldepots van [eiseres] wordt bescherming gezocht voor de gehele mand(en) en niet slechts voor een bepaald onderdeel daarvan. Omdat de Drypot-Modellen van [eiseres] slechts op kenmerk (ix) wezenlijk verschillen van het vormgevingserfgoed, is de beschermingsomvang van de Modellen naar het oordeel van de rechtbank zodoende beperkt tot manden die aan alle door [eiseres] gestelde kenmerken voldoen, waaronder specifiek begrepen het ontbreken van een gevlochten rotan-bodem.
Water baskets maken geen inbreuk op de Drypot-Modellen
4.21.
Partijen verschillen niet van mening over de door [eiseres] aangevoerde kenmerken van de Drypot-Modellen. Evenmin verschillen partijen niet van mening over de vraag of de
water basketsvan [gedaagde] voldoen aan de kenmerken (i) tot en met (viii) en (x). In zoverre staat daarmee vast dat de Drypot-manden en de
water basketsdezelfde algemene indruk wekken bij de geïnformeerde gebruiker. Er bestaat tussen partijen echter ook geen verschil van inzicht over de vraag of de
water basketsaan kenmerk (ix) voldoen: dat doen de
water basketsniet.
4.22.
Anders dan in de Drypot-Modellen is in de
water basketsvan [gedaagde] een gevlochten bodem aangebracht. De geïnformeerde gebruiker zal dit verschil direct opvallen, temeer omdat ‘het zwevende effect’ van de Drypot-manden zich door dit verschil niet zal voordoen bij de
water baskets. De
water basketsverschillen daarmee niet van het vormgevingserfgoed, terwijl de beschermingsomvang van de Drypot-manden door het ontbreken van een bodem wordt bepaald en de
water basketsen de Drypot-Modellen juist wel op dit cruciale aspect van elkaar verschillen.
4.23.
Ter zitting heeft [eiseres] nog toegelicht dat ‘het zwevende effect’ zich bij de
water basketsvan [gedaagde] wel voor zou doen, doordat aan de bodem van de
water basketseen verhoogde rand is gevlochten. De rechtbank begrijpt dat volgens [eiseres] de
water basketsvan [gedaagde] daarmee ook aan kenmerk (ix) voldoen. De rechtbank volgt [eiseres] hierin niet. Het betoog van [eiseres] komt er immers in de kern op neer dat de
afwezigheidvan een rotan-bodem (zoals kenbaar is uit de modelinschrijving) gelijkgesteld moet worden aan de
aanwezigheidvan een rotan-bodem (zoals kenbaar is uit de uitvoeringsvorm van [gedaagde]). Deze stelling vraagt van de geïnformeerde gebruiker inzichten die de rechtbank niet aanwezig acht bij die maatpersoon.
4.24.
In het licht van de geringe beschermingsomvang van de Drypot-Modellen, oordeelt de rechtbank dat de
water basketsbij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekken dan de Drypot-Modellen. De conclusie moet luiden dat de
water basketsgeen inbreuk maken op de Drypot-Modellen.
4.25.
Gevolg hiervan is dat alle vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen voor zover deze gebaseerd zijn op haar modelrechten.
Auteursrecht
Auteursrechtelijke beoordeling
4.26.
[eiseres] stelt subsidiair dat de Drypot-manden beschouwd moeten worden als werken in auteursrechtelijke zin. Zij stelt dat zij auteursrechthebbende is op dat werk, omdat [eiseres] de auteursrechten overgedragen heeft gekregen van de ontwerper. Dat het auteursrecht aan [eiseres] is overgedragen, althans voor zover toepasselijk, wordt niet door [gedaagde] betwist.
4.27.
De rechtbank zal daarom nu de vorderingen beoordelen van [eiseres] die gebaseerd zijn op het auteursrecht. De rechtbank komt tot het oordeel dat de Drypot-manden auteursrechtelijk beschermde werken zijn, maar dat [gedaagde] geen inbreuk maakt op het auteursrecht van [eiseres].
Juridisch kader ‘werk’ en beschermingsomvang
4.28.
Er is geen automatisme tussen de verlening van modelrechtelijke bescherming en de verlening van auteursrechtelijke bescherming. Voor het modelrecht geldt als objectief criterium voor bescherming dat van nieuwheid en eigen karakter. Dit criterium wordt beoordeeld ten opzichte van de oudere modellen en hierbij komt elk model in aanmerking voor bescherming dat zich voldoende van de oudere modellen onderscheidt om een andere algemene visuele indruk te wekken. Auteursrechtelijke bescherming daarentegen is voorbehouden aan voorwerpen die het verdienen om als ‘werk’ te worden gekwalificeerd.
4.29.
Volgens de rechtspraak van het HvJ EU [8] is voor het bestaan van het auteursrechtelijke begrip ‘werk’ nodig dat sprake is van een oorspronkelijk voorwerp dat een eigen intellectuele schepping van de maker ervan is. Creativiteit mag niet worden voorondersteld. Om vast te stellen dat een werk oorspronkelijk is in de zin van het auteursrecht, moet de rechter beoordelen of het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt, uitdrukking geeft aan vrije en creatieve keuzes die de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen. Niet vrij en creatief zijn niet alleen keuzes die zijn ingegeven door verschillende – met name technische – beperkingen waaraan de auteur gebonden is tijdens het creëren van dat voorwerp, maar ook keuzes die weliswaar vrij zijn maar niet de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen door aan het voorwerp een uniek aspect te geven. Het bestaan van andere mogelijke verschijningsvormen waarmee hetzelfde technisch resultaat kan worden bereikt wijst weliswaar erop dat er keuzemogelijkheden zijn, maar dit is niet doorslaggevend voor de beoordeling van de factoren die de keuzes van de maker hebben beïnvloed. Deze keuzes en de persoonlijkheid van de auteur moeten zichtbaar zijn in het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt.
4.30.
Het feit dat de auteur van een voorwerp gebruik heeft gemaakt van reeds beschikbare vormen, sluit niet uit dat dit voorwerp oorspronkelijk kan zijn. Een voorwerp dat uitsluitend uit beschikbare vormen bestaat, kan immers een oorspronkelijk werk zijn wanneer de auteur zijn creatieve keuzes tot uitdrukking heeft gebracht in de schikking van die vormen. Wanneer de auteur van een voorwerp zich heeft laten inspireren door bestaande voorwerpen, zal de auteursrechtelijke bescherming echter beperkt blijven tot de geïdentificeerde creatieve elementen die eigen zijn aan die auteur. [9]
De Drypot-manden zijn auteursrechtelijk beschermde werken
4.31.
Voor de in haar optiek auteursrechtelijk relevante vormgevingskeuzes van de Drypot-manden heeft [eiseres] verwezen naar de kenmerken die zij ook heeft opgesomd in het kader van de modelrechtelijke beoordeling (zie r.o. 4.13). [eiseres] heeft ter zitting nadrukkelijk het auteursrecht ingeroepen voor de in haar ogen oorspronkelijke combinatie van bestaande vormen, waarbij het deze specifieke combinatie is die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt. De keuze om de mand niet tot aan de bodem door te vlechten, waardoor ‘een zwevend effect’ ontstaat, is een creatieve keuze, aldus [eiseres].
4.32.
De rechtbank oordeelt dat een ontwerper van [eiseres] bij het ontwerp van een rotan mand enige, zij het door functionele eisen beperkte vrijheid heeft om creatieve keuzes te maken. Dit blijkt uit de door [gedaagde] aangedragen voorbeelden van rotan-manden en de veelheid van mogelijke vlechtmethoden en daardoor mogelijke combinaties van verschillende vlechtvormen. De enkele opsomming van kenmerken van haar manden, zoals door [eiseres] gegeven, is zodoende niet doorslaggevend voor de vraag of de Drypot-manden ‘werken’ in auteursrechtelijke zin zijn. Van belang is slechts of de maker aan het ontwerp van de manden één of meerdere oorspronkelijke elementen heeft toegevoegd, waardoor het ontwerp een eigen intellectuele schepping is en de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt.
4.33.
De door (de ontwerper van) [eiseres] gemaakte vormgevingskeuzes (i) tot en met (v), (vii), (viii) en (x) zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen. Echter, de ontwerper van de Drypot-manden heeft de creatieve, verrassende keuze gemaakt om gebruikelijke elementen te combineren met het weglaten van de rotan-bodem (kenmerk (ix)) en juist een rand van de plastic binnenpot (kenmerk (vi)) zichtbaar te maken. Naar het oordeel van de rechtbank kan in visueel opzicht de lege ruimte net zo bepalend zijn als datgene dat wel zichtbaar is voor de indruk die een voorwerp maakt bij de beschouwer. De rechtbank verwijst ter analogie naar de keuze van een beeldhouwer om (ruw) materiaal juist wel of niet te verwijderen. De ontwerper van de Drypot-manden heeft met het weglaten van de bodem een keuze gemaakt die vrij en creatief is, hetgeen kenbaar is uit het ontwerp. [gedaagde] heeft dit niet betwist en heeft ook geen voorbeelden aangedragen van andere manden waarin deze keuze is gemaakt.
4.34.
Gevolg van dit een en ander, in samenhang beschouwd, is dat de Drypots (in de drie varianten) naar het oordeel van de rechtbank beschouwd kunnen worden als werken in auteursrechtelijke zin. Hierbij valt de (de)constructie van de bodem aan te wijzen als het specifieke creatieve element in de zin van bovengenoemd juridisch kader.
Inbreuktoets
4.35.
Wanneer twee conflicterende voorwerpen een gemeenschappelijke inspiratiebron hebben, zijn alleen de ‘nieuwe’ creatieve elementen in het afgeleide werk oorspronkelijk en kan alleen de overname van deze nieuwe elementen een eventuele inbreuk vormen op het auteursrecht. Om een inbreuk op het auteursrecht vast te stellen, dient te worden bepaald of creatieve elementen van het beschermde werk op een herkenbare manier zijn overgenomen in het vermeend inbreukmakende voorwerp. Het feit dat dezelfde algemene visuele indruk wordt gewekt door de twee conflicterende voorwerpen en de mate van oorspronkelijkheid van het betrokken werk zijn irrelevant. [10]
Water baskets maken geen inbreuk op Drypot-manden
4.36.
Nu [eiseres] nadrukkelijk haar auteursrecht heeft ingeroepen voor de combinatie van gebruikelijke kenmerken met de ongebruikelijke ontbrekende bodem, zal de rechtbank daarom bij de inbreukvraag uitgaan van auteursrechtelijk bescherming tegen overname van de schikking van onbeschermde elementen met de creatieve keuze voor het weglaten van de rotan-bodem. De auteursrechtelijke bescherming dient beperkt te blijven tot de geïdentificeerde creatieve elementen die eigen zijn aan de maker van de Drypot-manden, hetgeen in dit geval de zichtbaarheid betreft van de plastic binnenpot door de ontbrekende rotan-bodem.
4.37.
De manden van beide partijen borduren voort op de traditionele vormentaal van gevlochten rotan-manden. Evenals bij haar verweer tegen de modelrechtelijke vorderingen van [eiseres] heeft [gedaagde] zich erop beroepen dat in haar manden ‘Seline’, ‘Bridget’ en ‘Pauline’ de gebruikelijke rotan-bodem is gevlochten. Dit verweert slaagt. De combinatie van onbeschermde elementen met de voor de hand liggende keuze van een niet-oorspronkelijk vormgegeven rotan-bodem maakt immers dat bij de
water basketsslechts sprake is van een combinatie van banale en triviale keuzes, die niet de persoonlijkheid van een maker kunnen weerspiegelen. Zodoende heeft [gedaagde] niet de geïdentificeerde creatieve elementen overgenomen die eigen zijn aan de Drypot-manden, en is er bijgevolg geen sprake van inbreuk op het aan [eiseres] toekomende auteursrecht.
4.38.
De slotsom luidt dat de op het auteursrecht gebaseerde vorderingen van [eiseres] geheel zullen worden afgewezen.
Slaafse nabootsing
4.39.
Nu de primaire en subsidiaire grondslagen voor de vorderingen van [eiseres] niet tot toewijzingen van de vorderingen kunnen leiden, komt de rechtbank toe aan de meer subsidiair opgeworpen grondslag.
Juridisch kader
4.40.
Voor zover geoordeeld zou moeten worden dat voor een verbod op grond van slaafse nabootsing in beginsel nog ruimte is, moet ervan worden uitgegaan dat een verbod op grond van slaafse nabootsing slechts mogelijk is wanneer door de nabootsing verwarring bij het publiek valt te duchten en de nabootsende concurrent erin tekortschiet om bij dat nabootsen te doen wat redelijkerwijs, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, mogelijk en nodig is om te voorkomen dat door gelijkheid van beide producten gevaar voor verwarring ontstaat.
4.41.
Van verwarring ten aanzien van een nagebootst product kan eerst sprake zijn indien dat product een ‘eigen gezicht’ heeft op de relevante markt, dat wil zeggen: zich in uiterlijke verschijningsvorm onderscheidt van andere, gelijksoortige producten op die markt (het ‘Umfeld’). De mate waarin dat product zich dient te onderscheiden van die gelijksoortige producten om bij het verschijnen van nabootsingen ervan een gevaar voor verwarring te kunnen doen ontstaan, hangt onder meer af van de aard en de hoeveelheid gelijksoortige producten die zich op dat moment op de desbetreffende markt bevinden [11] .
Geen slaafse nabootsing
4.42.
[eiseres] stelt dat de Drypot-manden een eigen plaats op de Nederlandse markt innemen. Ter onderbouwing daarvan wijst [eiseres] er op dat er in Nederland geen manden te koop zijn die dezelfde vormgeving en uiterlijk hebben. Daarenboven had [gedaagde] kunnen afwijken van de Drypot-manden zonder aan de deugdelijkheid daarvan afbreuk te doen, door bijvoorbeeld te kiezen voor ander materiaal, andere kleuren, een andere wijze van vlechten van het rotan, gebruik van meerdere verticale strengen, een rechte vorm, geen naar binnen gevlochten rand, en/of een rechte bodem zodat geen zwevend effect wordt gecreëerd, aldus [eiseres]. In het licht van het verweer van [gedaagde] kunnen de stellingen van [eiseres] niet tot toewijzing van de vorderingen leiden. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.43.
Manden met het uiterlijk van de Drypot-manden zijn standaard en gebruikelijk op de Nederlandse markt. Zoals al is overwogen in het kader van de modelrechtelijke- en auteursrechtelijke beoordeling, wijkt de door [eiseres] gekozen vormgeving slechts op een enkel aspect af van het vormgevingserfgoed, zodat [gedaagde] niet onrechtmatig handelt jegens [eiseres] door de voor de hand liggende eigenschappen van rotan-manden in een eigen product aan te bieden (waaronder de keuze voor rotan en een gebruikelijke manier van vlechten).
4.44.
De Drypot-manden van [eiseres] onderscheiden zich van andere rotan-manden slechts door het ontbreken van een bodem. Zoals al is geconstateerd in het kader van de modelrechtelijke en de auteursrechtelijke beoordeling, hebben de
water basketsvan [gedaagde] nu juist wel een bodem, zodat verwarring tussen de
water basketsen de Drypot-manden niet te vrezen valt. Ook valt niet in te zien hoe [gedaagde] had kunnen kiezen voor een ander materiaal dan rotan, noch ook waarom [gedaagde] een andere vlechtmethode had behoren te kiezen als de gekozen methode een traditionele werkwijze is. Ook de andere door [eiseres] genoemde eigenschappen zijn standaardeigenschappen en -vormen van rotan manden, zodat [gedaagde] daar niet vanaf hoefde te wijken. Uit dit alles volgt dat het beroep op slaafse nabootsing eveneens moet falen.
4.45.
De slotsom luidt dat ook de op onrechtmatige daad/slaafse nabootsing gebaseerde vorderingen voor afwijzing gereedliggen.
Overige vorderingen: inzage
4.46.
[eiseres] heeft beslag laten leggen op (onder meer, een deel van) de administratie van [gedaagde]. In het lichaam van haar dagvaarding vordert [eiseres] verdere inzage in de administratie van [gedaagde] op grond van artikel 194 Rv Pro. In het petitum van haar dagvaarding vordert [eiseres] echter opgave door [gedaagde] van bedrijfsgegevens op grond van aan [eiseres] toekomende modelrechten of auteursrechten. Ter zitting heeft [eiseres] verklaart dat zij bedoelde zich mede te beroepen op een inzagerecht op grond van artikel 194 Rv Pro.
4.47.
Uit de voorgaande oordelen met betrekking tot de door [eiseres] aangevoerde merkenrechtelijke- en auteursrechtelijke vorderingen en tevens haar vorderingen op grond van onrechtmatige daad/slaafse nabootsing, in samenhang gelezen, volgt dat tussen [eiseres] en [gedaagde] geen rechtsbetrekking bestaat. Zodoende heeft [eiseres] geen rechtmatig belang bij (verdere) inzage in de administratie van [gedaagde]. Ook de vordering tot opgave van bedrijfsgegevens, althans inzage in die bedrijfsgegevens, zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.48.
Nu geen van de door [eiseres] aangevoerde grondslagen tot toewijzing van de vorderingen kunnen leiden, zal [eiseres] als geheel in het ongelijk gestelde partij
worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde]. De procedure ziet op de handhaving van rechten van intellectuele eigendom (hierna: IE), waarbij in het partijdebat de subsidiair aangevoerde stellingen van [eiseres] over onrechtmatige daad een geringe bijdrage hadden.
4.49.
[gedaagde] heeft haar kosten gespecificeerd op in totaal € 13.854,50. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] echter haar eis verminderd, in dier voege dat zij thans een kostenveroordeling op basis van het liquidatietarief verzoekt. [eiseres] heeft zich hier niet tegen verzet. De kosten aan de zijde van [gedaagde] zullen daarom worden begroot op € 1.228,-- aan salaris advocaat (één punt voor de conclusie van antwoord en één punt voor de mondelinge behandeling, beide punten á € 614,-, in totaal € 1.228,--).
4.50.
Nakosten behoren tot de proceskosten. De nakosten worden altijd toegewezen, ook als deze niet expliciet zijn gevorderd. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel (per 1 februari 2026 een bedrag van € 189,-- zonder betekening bij een procedure in conventie). Dit bedrag wordt onvoorwaardelijk toegewezen. In geval van betekening wordt een extra component aan salaris (per 1 februari 2026 een bedrag van € 98,-- extra) en de explootkosten van betekening toegekend. Deze kosten worden voorwaardelijk toegekend, te weten als de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden.
4.51.
Het toe te wijzen bedrag wordt vermeerderd met het griffierecht van € 714,-- en de nakosten van € 189,--, waarmee het totaalbedrag dat [eiseres] aan [gedaagde] dient te vergoeden uitkomt op € 2.131,--.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde], begroot op € 2.131,-- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,-- plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Overbeek, rechter, bijgestaan door mr. E.E. de Vos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

Voetnoten

1.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Burgerlijk Wetboek.
3.Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Uniemodellen (Uniemodellenverordening).
4.HvJ EU 20 oktober 2011, ECLI:EU:C:2011:679, C-281/10 P, (PepsiCo & Grupo Promer/BHIM) (hierna: PepsiCo-arrest), r.o. 73 en Gerechtshof Den Haag 13 augustus 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3356 (Bang & Olufsen/Loewe), r.o. 15.
5.Hoge Raad, 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1983 (Apple/Samsung), r.o. 4.3.
6.Zie PepsiCo-arrest, r.o. 53 en 59.
7.Vgl. Hof Den Haag 13 augustus 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3356 (Bang & Olufsen/Loewe).
8.Hof van Justitie voor de Europese Unie.
9.HvJ EU 4 december 2025, gevoegde zaken C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941 (‘Mio’), en de daar genoemde rechtspraak.
10.HvJ EU 4 december 2025, gevoegde zaken C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941 (‘Mio’), r.o. 92.
11.HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:938 (Alround/Simstars), met verdere verwijzingen