Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12420

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
SGR 26/2831
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening WIA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een WIA-uitkering. Hij stelt dat hij terminaal is en binnen afzienbare tijd kan komen te overlijden, waardoor er sprake zou zijn van een spoedeisend belang.

De voorzieningenrechter overweegt dat bij financiële geschillen alleen een voorlopige voorziening wordt getroffen als er sprake is van onverwijlde spoed, bijvoorbeeld een acute financiële noodsituatie of dreigend faillissement. Verzoeker heeft echter niet aangetoond dat hij een acute financiële noodsituatie heeft, noch dat hij een bijstandsuitkering heeft aangevraagd.

De medische situatie van verzoeker wordt erkend als schrijnend, maar vormt geen grond voor het aannemen van spoedeisend belang in deze procedure. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af en geeft verweerder het advies om zo spoedig mogelijk een beslissing op bezwaar te nemen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2831

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
( [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Verweerder heeft verzoekers aanvraag met het besluit van 27 maart 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert hierover aan dat hij geen inkomen heeft, dat hij terminaal is en dat hij binnen afzienbare termijn kan komen te overlijden. Hieruit volgt dat het spoedeisend belang evident is. Hij heeft zich per 28 mei 2025 ziekgemeld bij verweerder en een aanvraag ingediend om een vervroegde WIA-uitkering.
4. In het verweerschrift geeft verweerder aan dat geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat niet is gebleken dat verzoeker bij de gemeente een bijstandsuitkering heeft aangevraagd en hij niet heeft onderbouwd met stukken dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Verder geeft verweerder aan dat hij een normale WIA-uitkering heeft aangevraagd en niet een WIA-uitkering met verkorte wachttijd. Ook blijkt uit Suwinet dat verzoeker sinds september 2024 geen dienstverband meer heeft gehad en dat het voor verweerder daarom niet duidelijk is of hij wel verzekerd is voor de werknemersverzekeringen.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen enkel spoedeisend belang is. Verzoeker heeft enkel gesteld dat hij geen inkomen heeft, maar hij heeft niet aangetoond dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Voor het aannemen van een spoedeisend belang gaat het om de financiële situatie. De medische situatie van verzoeker kan daarbij geen rol spelen. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat hij wel oog heeft voor de medische situatie van verzoeker. De voorzieningenrechter geeft verweerder daarom mee om zo spoedig mogelijk een beslissing op bezwaar te nemen omdat sprake is van een schrijnend geval.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.