ECLI:NL:RBDHA:2026:1234

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL24.12745
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Ethiopische eiser met gemengde etniciteit en beroep op artikel 8 EVRM

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een asielprocedure van een Ethiopische eiser, die problemen ondervond vanwege zijn gemengde etniciteit. De eiser, geboren in 1994, heeft op 23 augustus 2022 asiel aangevraagd in Nederland. De asielaanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie op 1 maart 2024 afgewezen, omdat de problemen die hij ondervond niet als voldoende ernstig werden beschouwd om hem de vluchtelingenstatus te verlenen. De rechtbank heeft het beroep van de eiser op 18 december 2025 behandeld, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de asielmotieven geloofwaardig achtte, maar niet voldoende zwaarwegend om de vluchtelingenstatus toe te kennen. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had ingegaan op de verslechterde veiligheidssituatie in Ethiopië en dat de asielaanvraag ten onrechte was afgewezen. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van de afwijzing van de asielaanvraag in stand gelaten. De rechtbank heeft de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen met betrekking tot het beroep van de eiser op artikel 8 van het EVRM, dat betrekking heeft op het gezinsleven van de eiser met zijn dochter. De rechtbank heeft ook de proceskosten van de eiser vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12745

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. C. Chen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) als ongegrond afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 5 december 2025 en 8 december 2025 heeft eiser aanvullende gronden ingediend.
Verweerder heeft op 15 december 2025 een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft hierop bij bericht van 16 december 2025 gereageerd. Op 16 en 17 december 2025 heeft eiser aanvullende stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z.K. Botani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na sluiting van het onderzoek heeft eiser op 22 december 2025 nog een brief ingediend.
Op 6 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op de brief van 22 december 2025.
Bij brief van 9 januari 2026 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat hij geen nadere reactie wenst te geven.
Partijen hebben de rechtbank laten weten geen prijs te stellen op een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek daarom op 19 januari 2026 gesloten.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Ethiopische nationaliteit. Op 23 augustus 2022 heeft hij zijn asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat weergeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eisers moeder behoorde tot de Tigray-stam, zijn vader tot de Amhara-stam. Eiser heeft door zijn gemengde etniciteit verschillende problemen ondervonden. Zo heeft de overheid hem financiering voor een project geweigerd, is in Addis Abeba tegen hem gezegd dat alleen Tigreeërs mogen werken, is hij een keer bij een grenscontrole tegengehouden, kon hij geen lening krijgen bij de overheid, is hij in 2015 een keer mishandeld en opgepakt door de politie, zijn er een of twee keer per jaar stenen naar zijn ouderlijk huis gegooid, heeft hij geen identiteitskaart en rijbewijs in Adama kunnen krijgen en is hij telefonisch bedreigd door zijn ex-schoonvader. In beroep heeft eiser daaraan toegevoegd dat hij door een overheidsmedewerker is bedreigd met een pistool vanwege zijn (illegale) werkzaamheden – eiser veranderde IMEI-nummers van mobiele telefoons – voor onder andere rebellen.
Het bestreden besluit
3.1.
Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen vanwege gemengde etniciteit.
3.2.
Verweerder heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. Verweerder heeft eiser op grond van de geloofwaardig geachte asielmotieven niet aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Voor zover verweerder de problemen aannemelijk heeft geacht, heeft eiser hiermee niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanig ernstig in zijn bestaansmogelijkheden beperkt wordt dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren in Ethiopië. Eiser heeft volgens verweerder ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Subsidiair heeft verweerder eiser een binnenlands vestigingsalternatief tegengeworpen. Daarom heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Beoordeling door de rechtbank
Zienswijze
4.1.
Eiser verzoekt de rechtbank hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Volgens eiser heeft verweerder bovendien de tweede aanvullende zienswijze van 1 februari 2024 niet kenbaar betrokken. Hierin heeft eiser aangevoerd dat de algemene veiligheidssituatie in Gondar is verslechterd. Ter onderbouwing heeft hij meerdere openbare bronnen aangehaald.
4.2.
Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat de aanvullende zienswijze van 1 februari 2024 niet is betrokken bij het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit daarmee niet met de vereiste zorgvuldigheid en in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank zal hierna beoordelen in hoeverre de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Zwaarwegendheid
5.1.
Eiser voert aan dat hij zijn vrees voor vervolging dan wel het reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Ethiopië wel aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij verwijst eiser allereerst naar de verslechterde algemene veiligheidssituatie in Ethiopië. Verweerder is volgens hem ten onrechte uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio Amhara in plaats van uit te gaan van de hoogste gradatie van willekeurig geweld. Ter onderbouwing verwijst eiser onder meer naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 12 november 2025. Verder heeft eiser als individuele verzwarende omstandigheden naar voren gebracht dat hij van gemengde etnische komaf is en dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten vanwege zijn eerdere werkzaamheden aan mobiele telefoons, waarbij hij IMEI-nummers aanpaste.
Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan naar de vrees voor zijn ex-schoonvader.
5.2.
Verweerder merkt volgens zijn beleid in paragraaf C2/3.2.6. van de Vreemdelingencirculaire 2000 discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.
5.3.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de discriminatie die eiser in Ethiopië heeft ervaren, hoe naar ook, niet voormelde ‘drempel van vervolging’ haalt. Verweerder heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij, vanwege het feit dat hij een gemengde etniciteit heeft, in Ethiopië zodanig in zijn bestaansmogelijkheden werd beperkt dat hij daar onmogelijk op maatschappelijk en sociaal niveau kon functioneren. Verweerder heeft er hierbij terecht op gewezen dat eiser heeft verklaard dat hij toegang had tot medische zorg en toegang had tot educatie (eiser heeft gestudeerd aan de universiteit in Oromia en daar ook een diploma gehaald). Na zijn afstuderen heeft hij nog een training gevolgd, gewerkt in het onderwijs en vervolgens een eigen bedrijf gestart.
5.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, volgt dat bij de beoordeling of er sprake is van willekeurig geweld binnen een gewapend conflict alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking moeten worden genomen. Daarbij moet onder meer gekeken worden naar de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, maar ook naar de geografische spreiding van het willekeurig geweld, de bestemming van een betrokkene bij terugkeer en de vraag of, waar en hoe vaak de strijdende partijen opzettelijk geweld plegen tegen burgers. Ook moeten humanitaire omstandigheden die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling worden betrokken.
Zoals is overwogen in 4.2, is verweerder in het bestreden besluit onvoldoende ingegaan op de aangevoerde verslechterde veiligheidssituatie. In het verweerschrift van 15 december 2025 is verweerder alsnog ingegaan op de actuele veiligheidssituatie in Ethiopië. Hierin heeft verweerder de wijziging van het landgebonden beleid van 30 januari 2025 ten aanzien van Ethiopië betrokken, waarin het standpunt wordt gehandhaafd dat er geen sprake is van de hoogste gradatie van willekeurig geweld in heel Ethiopië. Wel neemt verweerder een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan voor onder meer de regio Amhara, waar eiser vandaan komt. Verweerder baseert dit onder meer op landeninformatie, waaruit volgt dat er tijdens de verslagperiode in Amhara zowel sprake was van willekeurig geweld als gevolg van drone-aanvallen als van gerichter geweld tegen burgers. Er wordt door de bij de gewapende strijd betrokken partijen getracht burgerslachtoffers te voorkomen. Het aantal dodelijke slachtoffers in 2023 lag rond de 1750 personen, relatief laag ten opzichte van het aantal inwoners. Ter zitting heeft verweerder er nog op gewezen dat uit de laatste gegevens van TOELT volgt dat ook het aantal dodelijke slachtoffers in 2025 nauwelijks afwijkt van de eerder genoemde aantallen en dat er dus geen sprake is van een verslechterde veiligheidssituatie.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met de door hem overgelegde landeninformatie waaronder de brief van VWN niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld in de regio Amhara dan waarvan verweerder is uitgegaan. De informatie waar eiser naar verwijst schetst geen wezenlijk ander beeld dan de informatie die ten grondslag ligt aan het gewijzigde landgebonden beleid ten aanzien van Amhara. De brief van VWN ziet met name op de situatie in de regio Tigray na het sluiten van het vredeakkoord, en niet op de situatie in de regio Amhara. Verweerder heeft ter zitting bovendien kunnen stellen dat de omstandigheid dat de gespannen situatie in Ethiopië wellicht kan leiden tot een nieuwe burgeroorlog op dit moment geen aanleiding is om het landgebonden beleid aan te passen.
5.5.
Uitgaande van het relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio Amhara heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de enkele aanwezigheid van eiser niet zonder meer tot een reëel risico op ernstige schade leidt, maar dat er sprake moet zijn van individuele risicoverhogende omstandigheden die maken dat hij een hoger risico loopt op willekeurig geweld. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de omstandigheden die door eiser in dit kader naar voren zijn gebracht niet maken dat eiser zo’n verhoogd risico loopt. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat mogelijk geweld als gevolg van de gemengde etniciteit van eiser valt onder geviseerd geweld en dus niet op willekeurig geweld. Eisers verwijzing naar het Algemeen ambtsbericht Ethiopië van 2022 kan hem niet baten, nu daarin slechts algemene informatie over de situatie van etnische groepen is opgenomen en geen specifieke informatie over eiser. Bovendien is niet gesteld noch gebleken dat Ethiopiërs van gemengde etniciteit als een kwetsbare minderheidsgroep gezien moeten worden.
Verweerder heeft zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat eiser zijn problemen met de autoriteiten vanwege zijn werk in Ethiopië, waarbij hij naar eigen zeggen onder andere rebellen (Fano-militie uit Amhara) heeft geholpen met het veranderen van IMEI-nummers in mobiele telefoons, niet aannemelijk heeft gemaakt. Tijdens het aanmeldgehoor (pagina 7) heeft eiser immers verklaard dat hij de autoriteiten heeft geholpen door tegen betaling IMEI-nummers aan te passen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser hierover geen nadere of andere verklaringen afgelegd. De verklaring van eiser in beroep dat hij dit werk ook heeft gedaan in opdracht van de Fano milities en dat hij vanwege deze werkzaamheden werd bedreigd met een pistool door een functionaris van de overheid staat haaks op die verklaring in het aanmeldgehoor. Ter zitting heeft eiser nog toegevoegd dat de autoriteiten wel wilden dat hij hen zou helpen, maar dat hij dat niet heeft gedaan. Het had op de weg van eiser gelegen om zijn verklaring in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor of in het nader gehoor of de zienswijze aan te vullen of te corrigeren. De stelling dat eiser hierover eerst niet verder wilde verklaren omdat het veranderen van IMEI-nummers een illegale activiteit betrof, volgt de rechtbank niet nu eiser tijdens het aanmeldgehoor zelf heeft verklaard dat wat zij deden illegaal was. De rechtbank ziet ook verder geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder nader onderzoek hiernaar had moeten verrichten door eiser aanvullend te horen. De brief die eiser op 22 december 2025, na het sluiten van het onderzoek, nog heeft ingediend werpt hier geen ander licht op en kan hem dus niet baten.
5.5.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat eiser met zijn verklaringen over de telefonische bedreiging door zijn ex-schoonvader niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor bij terugkeer problemen zal ondervinden. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat de vrees is gebaseerd op vage vermoedens. Dat verweerder nader onderzoek hiernaar had moeten doen door zijn ex-verloofde hierover te horen, zoals eiser aanvoert, volgt de rechtbank niet. Verweerder mocht van eiser verwachten dat hij op basis van zijn eigen verklaringen aannemelijk maakt dat hij een gegronde vrees heeft voor zijn ex-schoonvader bij terugkeer naar Ethiopië.
5.6.
De beroepsgrond slaagt niet.
Binnenlands vestigingsalternatief
6.1.
Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte tegenwerpt dat hij zich elders in Ethiopië kan vestigen, bijvoorbeeld in Addis Abeba. Volgens eiser wijst alles erop dat als hij in Addis Abeba was gebleven er een goede kans was geweest dat hij gearresteerd zou kunnen worden en vervolgens gemarteld en gedood zou kunnen worden. Bovendien heeft eiser niet voor een lange tijd in Addis Abeba verbleven. Ook wijst eiser naar de verslechterde algemene veiligheidssituatie in Ethiopië.
6.2.
Verweerder kan een binnenlands vestigingsalternatief aan een vreemdeling tegenwerpen indien deze bij terugkeer naar de plaats waar hij vandaan komt, een reëel risico op ernstige schade loopt of gegronde vrees heeft voor vervolging.
6.3.
Gelet op hetgeen onder 5.2 tot en met 5.5 is overwogen komt de rechtbank daarom niet toe aan de vraag of verweerder (subsidiair) terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij zich bij terugkeer kan vestigen in Addis Abeba.
Tussenconclusie
7. Gelet op hetgeen onder 5.2 tot en met 5.5, 6.2 en 6.3 is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor wat betreft de beoordeling van de asielaanvraag in stand te laten. Dit betekent dat verweerder de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte heeft afgewezen als ongegrond.
Artikel 8 EVRM
8.1.
Eiser doet een beroep op artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft volgens hem ten onrechte niet ambtshalve beoordeeld of hij op grond van zijn familieleven met zijn dochtertje in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier. Ten tijde van het bestreden besluit hadden zijn ex-vriendin en zijn dochter weliswaar geen rechtmatig verblijf, maar inmiddels hebben zij dat wel. Gelet op de ex-nunc toetsing had verweerder alsnog een beoordeling moeten maken.
8.2.
Ter zitting heeft verweerder erkend dat, anders dan in het verweerschrift is gesteld, op grond van artikel 83, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw een ex-nunc toetsing plaats had moeten vinden ten aanzien van eisers beroep op artikel 8 van het EVRM.
8.3.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op hetgeen onder 4.2 en 8.3 is overwogen zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover het de afwijzing van de asielaanvraag betreft in stand te laten, gelet op hetgeen hierover is overwogen onder 5.2 tot en met 5.6.
10. De rechtbank ziet geen mogelijkheden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten voor wat betreft de beoordeling van eisers beroep op artikel 8 van het EVRM. De rechtbank ziet ook geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan verweerder is om te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 14 van de Vw. De rechtbank zal geen bestuurlijke lus toepassen, omdat niet valt in te zien dat eiser op die manier eerder uitsluitsel krijgt in zijn zaak dan als verweerder de opdracht wordt gegeven een nieuw besluit te nemen. De rechtbank zal verweerder die opdracht geven. De rechtbank geeft verweerder hierbij mee dat het in de rede ligt om nader onderzoek te doen naar het familie- en gezinsleven van eiser met zijn dochter en om eiser in de gelegenheid te stellen om aanvullende stukken in te dienen.
11. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover het de afwijzing van de asielaanvraag betreft;
- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen voor zover het de beoordeling van het beroep op artikel 8 van het EVRM betreft;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.