3.3.Het oordeel van de rechtbank
Aan de verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten een verkrachting. Subsidiair wordt hem verweten dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een minderjarige die de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt, als bedoeld in artikel 245 (oud) Sr.
De verdachte ontkent dat hij het slachtoffer is binnengedrongen; hij verklaart dat hij dit wel heeft geprobeerd, maar dat het niet is gelukt.
Toetsingskader
Bij een ontkennende verdachte geldt in veel zedenzaken dat als bewijs alleen de verklaring van het vermeende slachtoffer beschikbaar is.
Volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Op grond van vaste rechtspraak kan in een zedenzaak een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het vermeende slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren. Dit betekent dat de rechter in de eerste plaats de betrouwbaarheid van de verklaring van het vermeende slachtoffer moet beoordelen. Als hij die verklaring betrouwbaar acht, moet de strafrechter vervolgens beoordelen of die verklaring voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.
Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster
De aangeefster heeft meerdere verklaringen afgelegd. Dat is onder meer gebeurd op 12 november 2023, de dag van het voorval in het kader van een informatief gesprek bij de politie, op 13 november 2023, op 3 februari 2024 en op 22 april 2024 bij de rechter-commissaris. In de eerste twee hiervoor genoemde verhoren heeft de aangeefster verklaard dat zij was verkracht door de verdachte en de medeverdachte. Op 3 februari 2024 is zij grotendeels op deze verklaring teruggekomen. Met betrekking tot het seksueel binnendringen door de verdachte is die verklaring intern tegenstrijdig, of op zijn minst dubbelzinnig.
In opdracht van de rechter-commissaris heeft prof. dr. R. Horselenberg een betrouwbaarheidsonderzoek naar de verklaringen van de aangeefster verricht. Bij het onderzoek zijn de verhoren betrokken die de aangeefster tot en met 3 februari 2024 bij de politie heeft afgelegd.
In zijn rapport van 3 februari 2025 concludeert de rapporteur dat er twee verschillende scenario’s mogelijk zijn. Het eerste scenario is dat de eerste verklaringen van de aangeefster, te weten het verhaal dat zij zou zijn verkracht door de verdachte en de medeverdachte, valide zijn. Het tweede scenario is dat zij om een andere reden heeft verteld dat de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden en de verklaringen over de verkrachting dus niet valide zijn. Volgens zijn analyse zijn er meer aanwijzingen voor het tweede scenario dan voor het eerste.
De rechtbank ziet, evenals de officier van justitie en de verdediging, geen reden om te twijfelen aan deze conclusie.
Seksueel binnendringen
Zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde bevat het bestanddeel ‘seksueel binnendringen van het lichaam’. Wanneer dit element niet kan worden bewezen, is bewezenverklaring van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde niet mogelijk. Een ander zedenfeit zonder seksueel binnendringen is niet ten laste gelegd.
Op basis van het strafdossier staat vast dat de verdachte op enig moment op 12 november 2023 naar de aangeefster, die toen met de medeverdachte op bed lag, was gelopen met de bedoeling om haar te penetreren. De verdachte heeft steeds stellig ontkend dat hij met zijn penis is binnengedrongen in het lichaam van de aangeefster. De medeverdachte en de vriendin van de aangeefster hebben verklaard dat zij dit specifieke voorval tussen de verdachte en de aangeefster niet hebben gezien.
De rechtbank vindt de verklaringen van de aangeefster, wat betreft het ten laste gelegde seksueel binnendringen, wisselend en innerlijk tegenstrijdig.
Zo heeft de aangeefster op 3 februari 2024 verklaard dat de verdachte, toen zij seks had met de medeverdachte, opeens bovenop haar ging liggen, maar niets heeft gedaan. Anderzijds heeft zij in datzelfde verhoor verklaard dat het voelde alsof hij met zijn piemel in haar vagina ging. Vervolgens op 22 april 2024, bij de rechter-commissaris, heeft de aangeefster verklaard dat de verdachte naar haar liep toen de medeverdachte ging slapen en dat hij iets probeerde, waarop de aangeefster ‘nee’ zei. De verdachte zou toen ‘respectvol’ zijn weggegaan. De eerdere verklaring dat de verdachte met zijn penis in haar vagina is geweest, zou zij hebben verzonnen.
De tegenstrijdigheden in de verklaring van de aangeefster wat betreft de penetratie zijn dusdanig dat aan de verklaringen op dit punt een geringe bewijskracht toekomt. Anders gezegd, je kunt op basis van haar verklaringen beide kanten op: de verdachte is wel met zijn penis bij haar binnengedrongen of de verdachte heeft dat niet gedaan.
Het binnendringen wordt verder niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verdachte heeft wel verklaard dat hij geprobeerd heeft om zijn penis in de vagina van de aangeefster te stoppen, maar die verklaring vormt geen steunbewijs voor het seksueel binnendringen. Hij verklaart dat hij dit alleen geprobeerd en dat deze poging mislukt was omdat hij zijn penis niet omhoog kreeg. Hij zou niet verder dan bij de schaamlippen, bij de uitgang van de vagina zijn gekomen en niet in het lichaam zijn binnengedrongen. Die lezing van de feiten door de verdachte wordt eveneens ondersteund door de elementen uit de verklaring van de aangeefster zelf van 3 februari 2024 en 22 april 2024, namelijk dat de verdachte niets heeft gedaan en aangeefster in eerdere verklaringen de penetratie heeft verzonnen.
Of er wel of geen penetratie heeft plaatsgevonden, kan de rechtbank dus niet met voldoende zekerheid vaststellen om tot een bewezenverklaring te komen van het seksueel binnendringen. De rechtbank is gebonden aan de handelingen zoals ten laste gelegd, namelijk ontuchtige handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Omdat dat dat binnendringen niet kan worden bewezen, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de overige elementen in de tenlastelegging.
De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.