ECLI:NL:RBDHA:2026:12249

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
Zaak-/rolnummer: C/09/692761 HA ZA 25/876
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Brussel I-bis VerordeningArt. 4 lid 1 sub c Rome I VerordeningArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering contractuele boete wegens niet tot stand gekomen koopovereenkomst klooster in België

Het kerkgenootschap Nederlandse Belgische Provincie van het Religieus Instituut van het Gezelschap van het Goddelijk Woord (GGW) vordert betaling van een contractuele boete van €130.000,- van [gedaagde] wegens het niet nakomen van een koopovereenkomst voor een klooster in België. De koop zou plaatsvinden tegen een koopsom van €1.300.000,- met onder meer een voorbehoud van financiering tot 1 december 2024 en een ondertekening van de koopakte op 1 februari 2025.

[gedaagde] kon niet tijdig aan de financiële voorwaarden voldoen en deed een tegenvoorstel voor betaling van een boete, waarop GGW niet reageerde. Er is uiteindelijk geen koopovereenkomst getekend. De advocaat van [gedaagde] heeft zich onttrokken, waarna geen nieuwe advocaat is gesteld.

De rechtbank stelt vast dat de zaak onder Belgisch recht valt en dat de Nederlandse rechter bevoegd is. De rechtbank oordeelt dat geen overeenstemming is bereikt over de contractuele boete, omdat geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. Daarom wijst zij de vordering van GGW af en veroordeelt GGW in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot betaling van de contractuele boete af wegens het ontbreken van een koopovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaak-/rolnummer: C/09/692761 HA ZA 25/876
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
het kerkgenootschap NEDERLANDSE BELGISCHE PROVINCIE VAN HET RELIGIEUS INSTITUUT VAN HET GEZELSCHAP VAN HET GODDELIJK WOORD, te Teteringen,
eiseres,
advocaat: mr. F.J.C. van Altena,
tegen
[gedaagde], te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat: mr. C. Teiwes (onttrokken).
Partijen zullen hierna GGW en [gedaagde] worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 3 oktober 2025, met 7 producties;
- de conclusie van antwoord, met 2 producties;
- het vonnis van 17 december 2025; daarbij is een mondelinge behandeling bepaald op
6 maart 2026, die niet is gehouden.
1.2.
Bij bericht van 20 maart 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] zich onttrokken. De zaak is naar de rol van 11 maart 2026 verwezen voor het stellen van een nieuwe advocaat. Nadat zich geen nieuwe advocaat heeft gesteld, is de zaak verwezen naar de rol van 25 maart 2026 voor uitlating aan de zijde van GGW over het verdere vervolg van de procedure. GGW heeft vonnis gevraagd. De datum voor het wijzen van vonnis is nader bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Bij brief van 24 oktober 2024 heeft [gedaagde] aan GGW onder meer geschreven over het in België gelegen onroerend goed (klooster) van GGW:

AANKOOPVOORSTEL
Betreft:
[klooster] [adres] bestaande uit:
villa, middenbouw en hoofdgebouw bosgrond en bouwperceel
aan overzijde, (perceel conform bijgaande brochure )
Ons aanbod is als volgt:
Wij bieden een aanbod 1.300.000.- kopers kosten, (inclusief nog aanwezige
roerende goederen zoals lampen, vloerbedekking, onderhoudsmateriaal nu in de
schuur in de tuin etc.)
De notariële koopakte zal op 1 februari 2025 worden getekend. Bij ondertekening
van de koopakte, zal 10% van de koopsom bij de notaris gestort worden.
De definitieve levering van het onroerend goed is op 1 mei 2025.
Wij hanteren de volgende voorwaarden (om de koop door te laten gaan):
1. Financieel voorbehoud voor een bedrag van 1 miljoen tot 1 december 2024
2. Medewerking [gemeente] voor een B&B
3. Medewerking [gemeente] overname bosperceel
4. Goedkeuring van de door ons als koper aangegeven bestemming.”
2.2.
Bij brief van 30 oktober 2024 heeft GGW onder meer het volgende aan [gedaagde] bericht:
“Wij ontvingen uw bieding van 24 oktober 2024 voor ons [klooster] te [gemeente] in België.
Namens de SVD kan ik u melden dat men akkoord gaat met het door u geboden bedrag van
1.300.000 euro kosten koper voor het klooster in [gemeente] met bijbehoren.
Gedurende de komende weken en uiterlijk tot 1 december 2024 zullen wij het klooster niet aan anderen te koop aanbieden, teneinde u de gelegenheid te geven een financiering van
1.000.000 euro te vinden voor deze aankoop. We gaan ervan uit dat u dat aan ons op uiterlijk
1 december 2024 zal laten weten. Waarbij wij ervan uitgaan dat u de resterende 300.000 euro uit eigen middelen kunt voldoen.
Tevens honoreren wij de overige genoemde voorwaarden (punt 2 tot en met 4 uit uw brief),
waarbij wel ons verzoek is om de bestemming van het klooster nader te omschrijven.
Per 1 december 2024 vernemen wij dan graag of u definitief tot aankoop zult overgaan en zullen wij de koopakte opstellen die op 1 februari 2025 kan worden ondertekend. Vervolgens volgt notariële levering op 1 mei 2025.”
2.3.
Bij brief van 25 november 2024 meldt [gedaagde] aan GGW het volgende:
“Hartelijk dank voor uw schrijven met betrekking op uw antwoord op onze bieding van 30 oktober 2024. Vanwege onze persoonlijke situatie - dit zal mevrouw [naam] - nader toelichten in het telefonisch gesprek dat zij vandaag met u zal hebben. Op dit moment is het niet mogelijk voor ons om een afschrijft van onze zakelijke / persoonlijke bankrekening te sturen. De zakelijke / persoonlijke rekening is een Amerikaanse bankrekening, die deels het aankoopbedrag uit eigen vermogen zal financieren en het restantbedrag van het aankoopbedrag wordt gefinancierd met een hypothecaire lening derden. Om u toch een indrukte kunnen geven van onze kredietwaardigheid, heb ik in de bijlage een zeer beknopte bankkopie van mijn eenmanszaak bij ingesloten. Hoewel wij helaas op dit moment niet volledig kunnen voldoen aan de afspraak -genoemd in de biedingsbrief vertrouwen wij erop dat u ons de kans gunt om alsnog aan onze verplichtingen te kunnen voldoen en succesvol de aankoop van [gemeente] af te ronden.”
2.4.
In een brief van 5 december 2024 heeft GGW aan [gedaagde] het volgende geschreven:
“Hartelijk dank voor uw brief van 25 november over de aankoop van ons klooster in [gemeente]. U bevestigt daarin wat we met elkaar tot overeenstemming zijn gekomen, conform uw brief van 24 oktober 2024 en ons antwoord van 30 oktober 2024.
Wij geven u graag ruimte om de financiering alsnog in orde te brengen voor 1 februari 2025, het moment dat we de koopovereenkomst zullen ondertekenen. Als garantstelling voor het tot stand komen van de overeenkomst verzoeken wij u alvast vóór 31 december 2024 een bedrag van 50.000 euro op de derdenrekening bij onze notaris [notariskantoor] in St. Vith te storten. Wanneer u daarmee akkoord gaat, dan zullen wij het notariskantoor vragen de formaliteiten daarvoor in gang te zetten.
De (gedeeltelijk) maatschappelijke doelstelling die u voor de exploitatie van het klooster
heeft, spreekt ons zeer aan. Een persoonlijke ontmoeting in januari, om daarover meer te vernemen, zou zeer welkom zijn.”
2.5.
In reactie op de onder 2.4 bedoelde brief heeft [gedaagde] GGW onder meer het volgende geschreven:
“Hartelijk dank voor uw brief, gedateerd 5 december 2024. Wij danken u en de overige broeders, dat u ons de ruimte geeft om onze financiering in orde te brengen, zodat wij op 1 februari 2025 de 10% van de aankoopbedrag op de derdenrekening van de notaris storten. Als garantstelling voor het tot stand komen van de overeenkomst heeft u ons verzocht om een bedrag van 50.000 EURO op de derdenrekening bij de notaris [notariskantoor] in St. Vith te storten voor 31 december 2024. En hier komt onze uitdaging om de hoek kijken. (…) Aangezien het nu 4 januari 2025 en wij hebben nog niets van de bank vernomen, zijn wij na een gesprek met onze advocaat tot het volgende voorstel gekomen. Wij zijn nog steeds bereid om [gemeente] aan te kopen. Indien u toch besluit om de overeenkomst met ons te laten ontbinden, zijn wij bereid om een boete van de aankoopsom ad 10% -130.000 EURO te betalen. Wij zullen dit bedrag eind februari 2025 op de derdenrekening van de notaris storten.”
2.6.
Er is (op 1 februari 2025) geen koopovereenkomst getekend.
2.7.
Bij brief van 2 april 2025 heeft de advocaat van GGW [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor het niet nakomen van de koopovereenkomst.

3.Het geschil

3.1.
GGW vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 132.075,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 130.000,- vanaf 1 februari 2025, althans 1 maart 2025, althans een door de rechtbank te bepalen datum, tot de dag der voldoening, alles met veroordeling van [gedaagde] in de (na)kosten, met rente.
3.2.
GGW heeft aan haar vorderingen, samengevat, ten grondslag gelegd dat [gedaagde] een in België gelegen klooster van GGW heeft gekocht voor € 1.300.000,- maar niet heeft afgenomen, waardoor [gedaagde] de contractuele boete van 10% (€ 130.000,-) verschuldigd is, evenals € 2.075,- aan gemaakte buitengerechtelijke kosten en de (na)kosten.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van GGW in de (na)kosten van deze procedure, met rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Onttrekking advocaat
4.1.
De advocaat van [gedaagde] heeft zich na het nemen van een conclusie van antwoord onttrokken en, nadat de zaak naar de rol is verwezen, heeft zich geen nieuwe advocaat voor [gedaagde] gesteld. Dat betekent dat [gedaagde] geen verdere proceshandelingen meer kan verrichten.
Rechtsmacht
4.2.
Partijen zijn in Nederland gevestigd/woonachtig. Het onroerend goed dat [gedaagde] volgens GGW heeft gekocht ligt in België. Het geschil heeft daarmee een internationaal karakter, zodat de rechtbank ambtshalve haar bevoegdheid dient vast te stellen. Nu het gaat om een vordering tot het betalen van een contractuele boete is Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van toepassing (Brussel I-bis). Volgens artikel 4 van Pro de de Brussel I-bis Verordening is de rechter van de woonplaats van de gedaagde partij (Den Haag) in dit geval bevoegd.
Toepasselijk recht
4.3.
Op grond van artikel 4 lid 1 sub c van Pro de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) wordt de overeenkomst in dit geval – bij gebrek aan een rechtskeuze – beheerst door Belgisch recht. Dat Belgisch recht moet worden toegepast is tussen partijen ook niet in geschil.
Inhoudelijke beoordeling van het geschil
4.4.
[gedaagde] heeft tegen de vordering die strekt tot betaling van de contractuele boete van 10% van de koopsom het volgende verweer gevoerd. Primair is geen koopovereenkomst gesloten, omdat niet is voldaan aan de opschortende voorwaarden die zijn genoemd in de onder 2.1 bedoelde brief. Subsidiair is geen boetebeding overeengekomen, nu GGW op de onder 2.5 bedoelde brief niet heeft gereageerd. En meer subsidiair vraagt [gedaagde] de rechtbank om de boete te matigen, onder meer omdat niet is gebleken van schade aan de zijde van GGW.
4.5.
Uit het dossier blijkt dat tussen partijen aanvankelijk is besproken dat op
1 februari 2025 een koopovereenkomst met betrekking tot het Belgische klooster getekend zou worden en dat de levering aan [gedaagde] op 1 mei 2025 zou plaatsvinden. [gedaagde] heeft in haar eerste brief aan GGW gevraagd om een financieel voorbehoud tot 1 december 2024. [gedaagde] heeft vóór die datum (op 25 november 2024) laten weten niet aan haar (financiële) verplichtingen te kunnen voldoen. GGW heeft [gedaagde] daarop bij brief van 5 december 2024 – GGW heeft nagelaten die brief in het geding te brengen; [gedaagde] heeft deze brief bij conclusie van antwoord overgelegd – laten weten ruimte te geven om de financiering ‘alsnog in orde te brengen voor 1 februari 2025, het moment waarop de koopovereenkomst ondertekend zal worden’, waarbij zij [gedaagde] heeft gevraagd om als garantstelling € 50.000,- bij de notaris te storten voor 31 december 2024. Als [gedaagde] daarmee akkoord zou gaan, zou GGW de formaliteiten regelen. [gedaagde] ging niet akkoord en meldde niet aan die verplichting te kunnen voldoen. [gedaagde] deed daarbij een tegenvoorstel, waarop door GGW niet meer is gereageerd. Er is vervolgens ook geen koopovereenkomst getekend door partijen. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over verschuldigdheid van een contractuele boete van 10%. Dat betekent dat de vorderingen van GGW zullen worden afgewezen.
4.6.
GGW wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de (na)kosten. De kosten worden aan de zijde van tot op heden begroot op € 2.118,- (waarvan € 1.929,- aan salaris advocaat – uitgaande van 1 punt en tarief V, € 1.929,- per punt – en € 189,- aan nakosten, plus de kosten van betekening).

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt GGW in de proceskosten en begroot deze op een bedrag van
€ 2.118,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als het vonnis moet worden betekend, dan komt daar nog een bedrag van € 98,- aan nakosten bij, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt GGW in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. de Keuning en in het openbaar uitgesproken op
13 mei 2026.