ECLI:NL:RBDHA:2026:12239
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroege ingebrekestelling bij aanvraag verblijfsvergunning Syrië moratorium
Eiser, afkomstig uit Syrië, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving deze aanvraag op 14 januari 2025 en moest volgens de wet binnen zes maanden beslissen. Echter, vanwege een besluitmoratorium voor Syrië, dat liep van 14 december 2024 tot 13 juni 2025, werd de beslistermijn verlengd met één jaar tot maximaal 21 maanden, waardoor de uiterste beslisdatum op 14 juli 2026 viel.
Eiser stelde de minister op 29 januari 2026 schriftelijk in gebreke omdat er nog geen beslissing was genomen. De rechtbank oordeelde dat deze ingebrekestelling te vroeg was, aangezien de wettelijke beslistermijn op dat moment nog niet was verstreken. Het beroep van eiser is daarom niet ontvankelijk verklaard.
De rechtbank overwoog verder dat het generieke besluitmoratorium geen gerechtvaardigd vertrouwen bij eiser kon wekken dat de minister eerder zou beslissen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober op 3 april 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroege ingebrekestelling terwijl het besluitmoratorium de beslistermijn verlengde tot 14 juli 2026.