Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12236

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
NL26.11206 en NL26.11207
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 HandvestArt. 3 EVRMArt. 17 DublinverordeningArt. 32 DublinverordeningArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en medische situatie minderjarige

Eiseres, een Syrische vrouw, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Zij stelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege de medische situatie van haar minderjarige zoon met een nieraandoening en verwijst naar het arrest C.K. en mensenrechtenartikelen.

De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd waarom het besluit onjuist is en bevestigt het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Het nieuwe AIDA-rapport over Duitsland wijkt niet wezenlijk af van eerdere rapporten en rechtvaardigt geen ander oordeel. De rechtbank erkent de wens van eiseres om haar zoon niet van zijn oom te scheiden, maar vindt de band onvoldoende onderbouwd.

Ten aanzien van de medische situatie concludeert de rechtbank dat er geen objectieve gegevens zijn die een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van de zoon aantonen. Verweerder hoefde daarom geen Bureau Medische Advisering-onderzoek te laten uitvoeren. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.11206 en NL26.11207
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[naam] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

mede namens haar minderjarige zoon

[minderjarige] , V-nummer: [V-nummer 2]

(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, gemachtigde van eiseres, M. Driessen als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres stelt de Syrische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1997 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan. Eiseres verzoekt hetgeen zij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Volgens eiseres heeft verweerder onterecht geen toepassing gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening en heeft verweerder dit standpunt onvoldoende gemotiveerd. Eiseres stelt dat terugkeer naar Duitsland de gezondheid van haar minderjarige zoon ernstig negatief zal beïnvloeden. Eiseres verwijst in dit kader naar het arrest C.K. [1] en stelt dat overdracht aan Duitsland een schending vormt van artikel 3 van Pro het EVRM [2] en artikel 4 van Pro het Handvest. [3] De zoon van eiseres heeft namelijk een nieraandoening. In dit kader heeft eiseres medische stukken overgelegd. Volgens eiseres had verweerder een onderzoek moeten laten verrichten naar de gezondheidstoestand van haar zoon door het Bureau Medische Advisering (BMA). Tot slot stelt eiseres dat niet kan worden gegarandeerd dat haar zoon in Duitsland de juiste medische zorg krijgt bij terugkeer. Eiseres verwijst hierbij naar het AIDA-rapport van juni 2025 en stelt dat niet duidelijk is hoe er zal worden omgegaan met de gezondheidszorg van haar minderjarige zoon. Kort voor de zitting heeft eiseres nog actuele medische gegevens aan het dossier toegevoegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiseres eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
5. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiseres aannemelijk maakt dat er bij Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierin niet geslaagd. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 14 februari 2025 [4] geoordeeld dat ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast heeft de Afdeling in haar uitspraak overwogen dat op basis van het AIDA-rapport over Duitsland (update 2023) niet geconcludeerd kan worden dat de tekortkomingen in de Duitse asielprocedure de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals omschreven in het arrest Jawo. [5] In juni 2025 is er een nieuw AIDA-rapport over Duitsland uitgebracht, dat door eiseres wordt aangehaald. Over dit rapport heeft de Afdeling zich nog niet uitgelaten, maar dit rapport verschilt niet wezenlijk van het AIDA-rapport over 2023. Wanneer een nieuw AIDA-rapport niet wezenlijk verschilt van een ouder AIDA-rapport geeft het nieuwe rapport geen aanleiding om anders te oordelen over de situatie in Duitsland. [6]
6. De rechtbank heeft begrip voor de wens van eiseres dat haar zoon niet van zijn oom gescheiden wordt. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de hechte band tussen de zoon van eiseres en zijn oom niet is onderbouwd met documenten. Daarbij komt, zoals ook op zitting is besproken, dat deze oom reeds lange tijd in Nederland verblijft en dat er pas sinds kort (weer) contact is. Verweerder hoefde in die band daarom geen reden te zien om de asielaanvraag van eiseres in behandeling te nemen.
7. Ten aanzien van de medische situatie van de minderjarige zoon van eiseres oordeelt de rechtbank als volgt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 3 november 2017 [7] het toetsingskader van het arrest C.K. overgenomen en heeft in rechtsoverweging 7 overwogen dat als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.
7.1.
Uit WI 2021/3, onder paragraaf 5, volgt verder dat verweerder gehouden is om een BMA-onderzoek op te starten als de vreemdeling tijdens de Dublinprocedure een impliciet of expliciet beroep doet op het arrest C.K. of op de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, omdat er bij hem sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening en hij aantoont dat hij onder actieve medische behandeling staat van een behandelaar/specialist. Als uit objectieve medische gegevens verder blijkt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, dan dient verweerder dit risico door het BMA te laten onderzoeken. Het BMA kan vervolgens beoordelen of de vreemdeling medisch gezien in staat is om te reizen en welke reisvoorwaarden daarbij eventueel aan de orde zijn.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op alle omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd is niet gebleken van zodanige bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland onevenredige hardheid getuigt. Eiseres heeft gesteld dat haar minderjarige zoon last heeft van medische klachten en heeft ter onderbouwing een patiënten journaal, gedateerd op 26 januari 2026, en een medisch dossier van 12 maart 2026 overgelegd. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat de zoon van eiseres momenteel geen complicaties ervaart van zijn nieraandoening. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet gebleken dat een overdracht aan Duitsland een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van de minderjarige zoon met zich meebrengt zoals bedoeld in het arrest C.K. Verweerder heeft dus ook geen aanleiding hoeven zien om een BMA-onderzoek te laten uitbrengen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat hij in Duitsland geen toegang zal hebben tot adequate opvang en medische zorg. Verweerder stelt, tot slot, terecht dat hij, als eiseres daarvoor toestemming geeft, op grond van artikel 32 van Pro de Dublinverordening, de Duitse autoriteiten voorafgaand aan de overdracht in zal lichten over de medische situatie van de zoon.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. Daarom is het beroep ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [8] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroepEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift
sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd
waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden
ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener
de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K. tegen Slovenië).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.
5.Zie het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2986.
8.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.