ECLI:NL:RBDHA:2026:12203

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
NL26.5819
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens intrekking terugkeerbesluit zonder procesbelang

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit van 14 januari 2026. Tijdens de procedure blijkt dat het bestreden besluit op 20 januari 2026 door verweerder is ingetrokken, inclusief het verwijderen van de signalering met betrekking tot terugkeer en toegang.

De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. Gezien de intrekking van het besluit en het ontbreken van een direct belang bij een inhoudelijke beoordeling, wordt geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk is. Een eventueel ander maatregel kan via een afzonderlijk rechtsmiddel worden aangevochten.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, omdat niet is gebleken dat de intrekking van het besluit voor het instellen van het beroep aan eiser of zijn gemachtigde bekend was. Hierdoor was het beroep niet zonder reden ingesteld.

De proceskosten worden vastgesteld op € 1.868,00 conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door rechter S.N. Abdoelkadir en griffier F.S. Ulrich op 22 april 2026 te Rotterdam.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het terugkeerbesluit en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5819

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Kafa),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Vugs).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Uit het dossier blijkt immers dat het bestreden besluit op 20 januari 2026 door verweerder is ingetrokken. De rechtbank stelt vast dat bij de intrekking van dat besluit staat aangegeven dat de signalering inzake terugkeer dan wel met het oog op weigering toegang en verblijf ook zal worden verwijderd. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het door eiser aangevoerde procesbelang, namelijk dat een andere maatregel van toepassing is, niet tot de conclusie dat nog belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het onderhavige besluit. Indien sprake zou zijn van een andere maatregel, staat daartegen voor eiser een afzonderlijk rechtsmiddel open.
2. Omdat het procesbelang van eiser ontbreekt, zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met dit beroep heeft gemaakt. De reden daarvoor is dat niet is gebleken dat de intrekking van het bestreden besluit voor het instellen van het beroep aan eiser bekend is gemaakt. De stelling van verweerder dat de datum waarop het terugkeerbesluit is ingetrokken voorop staat, volgt de rechtbank niet. Eiser, danwel zijn gemachtigde hebben geen toegang gehad tot het digitale dossier tot het ingestelde beroep van 2 februari 2026. Niet is gebleken dat eiser of zijn gemachtigde anderzijds bekend waren of hadden kunnen zijn met de intrekking van het bestreden besluit. Hieruit volgt dat het beroep niet zonder reden is ingesteld.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.