ECLI:NL:RBDHA:2026:122

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63271
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een vervolgberoep van eiser, die in detentie is geplaatst op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, die een V-nummer heeft, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring op 13 augustus 2025 is opgelegd en dat deze nog voortduurt. Eiser heeft verzocht om in persoon te worden gehoord, maar de rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat er geen wettelijk recht op een hoorzitting bestaat in vervolgberoep-procedures. De rechtbank heeft geoordeeld dat de rechten van eiser voldoende gewaarborgd zijn zonder een hoorzitting.

De rechtbank heeft de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring beoordeeld en geconcludeerd dat deze in eerdere uitspraken rechtmatig is bevonden. Eiser heeft aangevoerd dat de voortzetting van de bewaring in detentiecentrum Rotterdam leidt tot mensenrechtenschendingen, onder andere door luchtvervuiling. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de luchtkwaliteit in detentiecentrum Rotterdam zo slecht is dat dit een schending van mensenrechten oplevert. Bovendien heeft de rechtbank vastgesteld dat er nog steeds zicht is op afgifte van een laissez-passer door de Algerijnse autoriteiten, ondanks dat eiser niet actief meewerkt aan het onderzoek naar zijn identiteit.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter E.M.A. Vinken in aanwezigheid van griffier J.R. Froma en is openbaar gemaakt op 20 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63271

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

1. Verweerder heeft op 13 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

2. Eiser heeft verzocht om primair in persoon te worden gehoord en subsidiair via een audiovisuele verbinding. De rechtbank heeft het verzoek niet ingewilligd omdat deze zaak een vervolgberoep betreft en in vervolgberoep-procedures niet is voorzien in een wettelijk recht om te worden gehoord. Dat laat echter onverlet dat als hierom gemotiveerd wordt verzocht, de rechtbank een dergelijk verzoek kan inwilligen. Eiser heeft zijn verzoek uitsluitend gebaseerd op “een beroep op fair hearing artikel 5 lid 4 EVRM [1] en / of fair trial artikel 5 lid 4 EVRM”. De rechtbank is van oordeel dat deze onderbouwing onvoldoende is om het verzoek van eiser in te willigen. Gezien het voorgaande, de inhoud van het digitale dossier en de door partijen overgelegde stukken, acht de rechtbank zich voldoende geïnformeerd om zonder het horen van eiser uitspraak te doen. De rechtbank acht de rechten van eiser ook op deze manier voldoende gewaarborgd.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al verschillende keren eerder heeft getoetst. Uit de laatste uitspraak van 11 november 2025 (in de zaak NL25.52794) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
5. Eiser voert aan dat voortzetting van de bewaring in detentiecentrum Rotterdam mensenrechtenschending oplevert als bedoeld in artikel 5 lid 4 EVRM en de Council of Europe European Prison Rules 18.1 en 18.2. Het detentiecentrum ligt namelijk naast Rotterdam The Hague Airport en eiser wordt dus dagelijks blootgesteld aan schadelijke stoffen door de uitstoot van verbrande kerosine. Dit levert een fundamentele schending op van eisers mensenrecht “FRESH AIR” en diens mensenrechten eerbiediging van privéleven en lichamelijk en psychische integriteit als bedoeld in artikel 8 EVRM. Ter onderbouwing van deze stelling zijn twee artikelen overgelegd [2] . Vanwege de slechte luchtkwaliteit is detentiecentrum Rotterdam geen speciale inrichting meer als bedoeld in artikel 16 van de Terugkeerrichtlijn [3] . Verder voert eiser aan dat zicht op uitzetting ontbreekt. Volgens eiser is de kans klein dat Algerije binnen een redelijke termijn een laissez-passer (lp) verstrekt of dat eiser wordt gepresenteerd bij de Algerijnse ambassade.
5. De rechtbank overweegt als volgt
6. De door eiser overgelegde artikelen gaan over last van luchtvervuiling door ingeslotenen van detentiecentrum Schiphol. Eiser verblijft in detentiecentrum Rotterdam. Blijkens het verslag van het vertrekgesprek van 9 december 2025 zei eiser dat hij ziek was, doordat de luchtventilatie vaak zijn neus verstopt, en heeft de regievoerder erkend dat de luchtventilatie daar niet optimaal is en dat het geen fijne omgeving is om lang in te moeten verblijven. Hoewel de rechtbank erkent dat het vervelend is dat de luchtventilatie kennelijk niet optimaal is, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de luchtkwaliteit in of rondom detentiecentrum Rotterdam van dermate slechte kwaliteit is dat sprake is van schending van mensenrechten of dat niet langer sprake is van een speciale bewaringsinrichting.
7. Uit de voortgangsrapportage van 23 december 2025 blijkt verder dat verweerder op 15 augustus 2025 een lp heeft aangevraagd bij de autoriteiten van Algerije. Verweerder heeft daarna maandelijks gerappelleerd, laatst 17 december 2025. Het enkele feit dat eiser (nog) niet is gepresenteerd en dat er ook geen presentatie is gepland, is onvoldoende voor het oordeel dat geen zicht meer bestaat op afgifte van een lp. Daarnaast heeft verweerder meermaals vertrekgesprekken met eiser gevoerd, laatst op 10 december 2025. Verder blijkt uit de vertrekgesprekken dat, hoewel op eiser de verplichting rust om zijn volledige en actieve medewerking aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit te verlenen, hij tot nog toe geen enkele aantoonbare actie heeft ondernomen om dit onderzoek te bespoedigen. Nu eiser niet aan zijn meewerkplicht voldoet, kan volgens vaste jurisprudentie een redelijk vooruitzicht op verwijdering reeds daarom worden aangenomen. Verder is verweerder ook afhankelijk van de door de Algerijnse autoriteiten voorgestane werkwijze.
8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beroepsgronden van eiser niet slagen.
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [4] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
2.Een artikel van Meldpunt Vreemdelingendetentie van 18 april 2025 en een artikel uit de Bonjo (een krant van een belangenorganisatie voor (ex)gedetineerden).
3.Richtlijn 2008/115.
4.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.