ECLI:NL:RBDHA:2026:12197

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
NL25.61335
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 28 VreemdelingenwetArt. 62 VreemdelingenwetArt. 62a Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit en asielwens ongegrond verklaard

Eiser heeft tegen het terugkeerbesluit van 1 december 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Hij betwistte de lichte gronden van het besluit, zoals het ontbreken van een vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan, en gaf aan een asielaanvraag te willen indienen. De rechtbank overwoog dat het terugkeerbesluit conform artikel 62 en Pro 62a van de Vreemdelingenwet is genomen, waarbij geen uitzonderingssituaties waren vastgesteld die het besluit zouden kunnen verhinderen.

De rechtbank benadrukte dat het terugkeerbesluit slechts vaststelt dat het verblijf illegaal is en dat de toetsing van een mogelijk risico op onmenselijke behandeling bij terugkeer niet aan de orde is bij het terugkeerbesluit zelf, maar bij een asielprocedure. Het indienen van een asielaanvraag leidt niet tot onrechtmatigheid van het terugkeerbesluit, hoewel de rechtsgevolgen van het besluit worden geschorst bij een ingediende asielaanvraag.

Verder wees de rechtbank het verweer van eiser af dat een lichter middel, zoals gecontroleerd vertrek, had moeten worden toegepast. Volgens de wet is het opleggen van een terugkeerbesluit verplicht tenzij uitzonderingen van toepassing zijn, welke niet waren gesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard en het besluit is rechtmatig genomen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61335

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Vugs ).

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Gronden van het terugkeerkeerbesluit en eisers asielwens
1. Eiser betwist de twee lichte gronden dat hij geen vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan heeft. Hij verblijft bij kennissen en heeft voldoende geld. De zware grond is door eiser niet betwist. Eiser voert verder aan dat hij een asielaanvraag wil indienen zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw). In het aanvullend beroep heeft eiser aangevoerd dat hij inmiddels een asielaanvraag heeft ingediend en dat deze niet strijdig is met zijn eerdere verklaringen. Eiser meent dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM Pro.
1.1.
Uit artikel 62 in Pro samenhang met artikel 62a van de Vreemdelingenwet (Vw) volgt dat indien een vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft verweerder in beginsel verplicht is een terugkeerbesluit uit te vaardigen met een vertrektermijn van 28 dagen. Dit is alleen anders als zich één van de in artikel 62a, eerste lid, van de Vw genoemde uitzonderingssituaties zich voordoen. Er is niet gesteld en ook niet gebleken dat sprake is van een dergelijke uitzonderingssituatie. De gronden ten aanzien van een mogelijk risico op onttrekking zijn slechts relevant bij de beoordeling van een inreisverbod. Van een inreisverbod is in het onderhavige geval echter geen sprake.
1.2.
Ten aanzien van eisers asielwens overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste jurisprudentie houdt het terugkeerbesluit slechts de vaststelling in dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is en dat een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld, en toetst verweerder bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit niet of de terugkeer in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Voor zover eiser in deze procedure een beroep doet op artikel 3 van Pro het EVRM ligt dat niet ter toetsing voor. Het voornemen een asielaanvraag te doen of het indienen van een dergelijke aanvraag leidt dus niet tot de onrechtmatigheid van een reeds opgelegd terugkeerbesluit. Wel volgt uit vaste rechtspraak dat de rechtsgevolgen van een terugkeerbesluit van rechtswege worden geschorst in het geval van het indienen van een asielaanvraag. [1] Nu de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit wordt beoordeeld naar de feiten en omstandigheden die ten tijde van het nemen van dat besluit bekend waren of redelijkerwijs bekend behoorden te zijn en niet in geschil is dat op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit geen asielaanvraag was ingediend door eiser, heeft verweerder het terugkeerbesluit kunnen opleggen. Bovendien blijkt uit het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit dat eiser op de vraag of hij onmenselijke behandeling vreest bij terugkeer, heeft geantwoord dat dit niet het geval is maar dat hij niet terug wil.
Lichter middel
2. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel, zoals een gecontroleerd vertrek.
2.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Het opleggen van een lichter middel speelt bij een terugkeerbesluit geen rol. Uit artikel 62a, eerste lid, van de Vw, volgt dat aan de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf een terugkeerbesluit wordt opgelegd. Hiervan kan alleen worden afgeweken in geval de in artikel 62a, eerste lid, onder a, b en c, genoemde uitzonderingen zich voordoen. Eiser heeft niets aangevoerd in het kader van deze uitzonderingen, wat maakt dat dit geen afbreuk kan doen aan het terugkeerbesluit.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:959, rechtsoverwegingen 3 t/m 3.2.