ECLI:NL:RBDHA:2026:12196
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen terugkeerbesluit wegens niet-rechtmatig verblijf ongegrond verklaard
Eiser heeft beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit van 27 februari 2026, opgelegd door de minister van Asiel en Migratie wegens het niet-rechtmatig verblijf in Nederland. De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 behandeld en beoordeeld of eiser voldoende gelegenheid had gekregen om zijn zienswijze naar voren te brengen.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft en dat de minister op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht was het terugkeerbesluit op te leggen. Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn persoonlijke omstandigheden en mogelijke verblijfsrechten in andere lidstaten, met name Spanje, te bespreken.
Eiser gaf aan stappen te hebben gezet voor verblijfsrecht in Spanje, maar onderzoek in Eurodac en EU-Vis toonde aan dat hij slechts een toeristenvisum had aangevraagd dat was afgewezen. De rechtbank oordeelt dat het op de weg van eiser lag om een eventueel toekomstig verblijfsrecht te onderbouwen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet rechtmatig verblijft en geen verblijfsrecht in Spanje kon aantonen.