Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12155

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
C/09/694992 / JE RK 25-2003
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot verlenging uithuisplaatsing minderjarige in gezinsgerichte voorziening

De kinderrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 17 april 2026 een beschikking gegeven tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een gezinsgerichte voorziening. De eerdere machtiging liep van 24 februari tot 18 april 2026. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging tot 12 juni 2026, de resterende duur van de ondertoezichtstelling.

De minderjarige verblijft sinds eind februari bij de moeder met intensieve begeleiding van een coach. Ondanks deze begeleiding en een VUHP-traject zijn er zorgen over de haalbaarheid van diagnostiek en behandeling in de thuissituatie, die onstabiel en onvoorspelbaar is. De minderjarige vertoont zelfbepalend gedrag, loopt regelmatig weg en laat zich niet begrenzen door de ouders.

De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de minderjarige in een andere omgeving verblijft waar getrainde begeleiding aanwezig is, zodat ingesleten patronen doorbroken kunnen worden en de minderjarige kan leren omgaan met grenzen en leeftijdsgenoten. De machtiging wordt daarom verlengd en direct uitvoerbaar verklaard. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 12 juni 2026 en direct uitvoerbaar verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/694992 / JE RK 25-2003
Datum uitspraak: 17 april 2026
Beschikking van de kinderrechter
machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A.R. Rens uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij de beschikking van 20 februari 2026 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening van 24 februari 2026 tot 18 april 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 20 februari 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 10 april 2026.
1.3.
Op 17 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder met haar advocaat.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 5 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling heeft aanvankelijk verzocht een machtiging te
verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit verzoek is op 5 december 2025 toegewezen tot 24 februari 2026 en voor het overige aangehouden. Op de zitting van 20 februari 2026 heeft de gecertificeerde instelling het resterend deel van het verzoek gewijzigd in die zin, dat wordt verzocht om de machtiging te verlenen voor een andere categorie, namelijk een gezinsgerichte voorziening. Dit verzoek is toegewezen tot 18 april 2026 en voor het overige aangehouden.
3.2.
Bij schriftelijke update van 10 april 2026 heeft de gecertificeerde instelling het resterende deel van het verzoek te handhaven en daarbij verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van zes maanden. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling bevestigd dat daarmee is bedoeld een verlenging te verzoeken in die zin, dat wordt verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 12 juni 2026.
3.3.
De gecertificeerde instelling heeft het resterend deel van het verzoek als volgt nader gemotiveerd. Ondanks verschillende aanmeldingen is het niet gelukt om een passende plek voor [minderjarige] te vinden. [minderjarige] verblijft sinds eind februari bij de moeder en krijgt sindsdien ook begeleiding van een coach. De coach biedt [minderjarige] vijfentwintig uur per week intensieve een-op-een begeleiding, waarbij er onder meer aandacht is voor daginvulling, emotieregulatie en deelname aan activiteiten met leeftijdsgenoten, Activiteiten met leeftijdgenoten vinden nu vooral plaats bij [instelling 1] . De afgelopen periode is wisselend verlopen. [minderjarige] en de moeder zijn een week op vakantie geweest wat grotendeels goed is gegaan, maar er hebben zich ook incidenten voorgedaan, waarbij bijvoorbeeld op 28 maart politiebetrokkenheid noodzakelijk was. Daarnaast is [minderjarige] opnieuw verschillende malen weggelopen, heeft hij afspraken genegeerd en zelfbepalend gedrag laten zien. Het is van groot belang dat er diagnostiek kan plaatsvinden om meer inzicht te krijgen in de problematiek van [minderjarige] . Op 16 april heeft een intakegesprek bij [instelling 2] plaatsgevonden. Binnenkort kan [minderjarige] daar starten met een breed diagnostisch onderzoek. Er zijn zorgen over de haalbaarheid van ambulante diagnostiek vanwege de huidige thuissituatie. De thuissituatie is onvoldoende stabiel, onvoorspelbaar en het lukt de moeder en de stiefvader onvoldoende om [minderjarige] te begrenzen. De gecertificeerde instelling vindt een plaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis dan ook nog steeds in zijn belang. Aangezien het lastig is om – op korte termijn – een plek voor [minderjarige] te vinden is het gezin aangemeld voor een VUHP-traject en zal de coach van [minderjarige] nauw betrokken blijven. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting toegelicht dat de coach van [minderjarige] ook betrokken zal blijven op het moment dat er een elders plek voor hem beschikbaar is.
4.
De standpunten
4.1.
Door en namens de moeder is gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter ten aanzien van de verzochte verlenging van de machtiging en de ter zitting besproken duur daarvan. De moeder vindt het eigenlijk nog te vroeg voor de verzochte machtiging, enerzijds omdat er nog geen plaats voor [minderjarige] gevonden is, maar ook omdat zij vindt dat [minderjarige] nog niet toe is aan het functioneren in een groep, waar hij moet omgaan met en invloed ondervindt van andere kinderen, waar hij kan weglopen, waar hij moet omgaan met verleidingen en hij mogelijk toegang heeft tot middelen. Nu moeten er nog teveel brandjes worden geblust. Daar is VUHP voor, vindt moeder, en ook de coach. De moeder waardeert de inzet van de coach, hij pakt alles op en neemt haar veel uit handen.
Ter zitting heeft de moeder verteld dat [minderjarige] op korte termijn kan starten bij [instelling 2] voor diagnostiek. De coach zal [minderjarige] ook daarbij ondersteunen, zo heeft hij laten weten. De moeder maakt zich onveranderd veel zorgen om [minderjarige] . Afgelopen nacht is hij opnieuw weggelopen en bleek hij bij zijn oma te zijn. De moeder onderkent dat het thuis ook niet voorspoedig verloopt, maar zij meent dat het risico op ongewenst gedrag bij een uithuisplaatsing toch groter is. Tegelijk ziet zij ook dat [minderjarige] thuis goed weet hoe hij grenzen kan overschrijden en dat dat in de thuissituatie ook niet meer goed om te buigen is.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Zoals in de update en de verslagen van de coach is beschreven, en ook ter zitting nog is toegelicht, hebben de afgelopen weken kleine positieve ontwikkelingen plaatsgevonden. [minderjarige] kan binnen afzienbare tijd starten met diagnostiek bij [instelling 2] Diagnostiek is noodzakelijk om zicht te krijgen op de problematiek van [minderjarige] , pas als die (beter) bekend is kan een gerichte behandeling worden ingezet. Daarnaast krijgt [minderjarige] al een aantal weken intensieve een-op-een begeleiding van een coach, voor vijfentwintig uren per week. De inzet van deze coach wordt enorm gewaardeerd door iedereen, ook door [minderjarige] , die een fijne band met hem heeft opgebouwd. Het lukt de coach om een ingang te vinden bij [minderjarige] en hem te motiveren om zich in te spannen voor zijn ontwikkeling. De coach zal ook betrokken worden bij de diagnostiek.
5.3.
Intussen hebben zowel [instelling 2] als de gecertificeerde instelling zorgen over de haalbaarheid van diagnostiek in de huidige thuissituatie. De kinderrechter onderschrijft deze zorgen. [minderjarige] laat in de thuissituatie veel zelfbepalend gedrag zien en laat zich niet begrenzen door de moeder of de stiefvader. Hij doet wat hij wil, ook als er andere afspraken zijn gemaakt, en loopt nog regelmatig weg, ook in de nacht. Het is noodzakelijk om de ingesleten patronen binnen het gezin, waarin [minderjarige] de ruimte neemt en ook krijgt om zijn gang te gaan, te doorbreken. De coach heeft een positieve invloed en in afwachting van diagnostiek is een VUHP-traject ingezet, maar ook met de intensieve begeleiding van de coach en die inzet van VUHP is het doorbreken van die patronen binnen de thuissituatie niet haalbaar. Naast diagnostiek en behandeling zal daaraan, en aan het ten goede keren van de ontwikkeling van [minderjarige] , bijdragen dat hij in een andere omgeving verblijft, van anderen leert omgaan met grenzen en zich leert verhouden tot en leert omgaan met leeftijdgenoten. Dat betekent dat het in het belang van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk is dat hij op een andere plaats dan in de thuissituatie verblijft. In een gezinsgerichte voorziening is getrainde begeleiding aanwezig en de huidige coach kan en zal ook bij uithuisplaatsing bij [minderjarige] betrokken blijven.
5.4.
De gecertificeerde instelling is zich er van bewust dat een geschikte plaats voor [minderjarige] moeilijk te vinden is en dat het ook in de resterende maanden van de lopende ondertoezichtstelling erg lastig zal zijn om een plaats voor [minderjarige] te vinden. De kinderrechter onderschrijft evenwel dat wanneer zo’n plek toch voorhanden blijkt, daar ook zo snel mogelijk gebruik moet kunnen worden gemaakt. Daarom zal het resterende deel van het verzoek worden toegewezen.
5.5.
Om de hiervoor besproken redenen verleent de kinderrechter een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening voor de verzochte resterende duur.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 18 april 2026 tot 12 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 29 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.