De moeder verzocht de rechtbank om haar het eenhoofdig gezag over haar minderjarige kind toe te kennen. De rechtbank nam kennis van de gewijzigde omstandigheden sinds de erkenning, waaronder het langdurig ontbreken van contact tussen de ouders en het kind. Tijdens de zitting bleek echter dat de situatie was verbeterd en de vader weer contact had met het kind en betrokken was in haar leven.
De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen en dat slechts in uitzonderlijke gevallen het belang van het kind vereist dat één ouder het gezag krijgt. De moeder baseerde haar verzoek vooral op mogelijke toekomstige problemen, maar er was geen bewijs dat de vader het gezag belemmert of dat er actuele problemen zijn.
Gezien de betrokkenheid van de vader en het belang van gezamenlijke besluitvorming, handhaafde de rechtbank het gezamenlijk gezag. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening bepaald. De beschikking werd uitgesproken op 17 april 2026 door de kinderrechter E. Boot.