ECLI:NL:RBDHA:2026:1213

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
C/09/654294 KG ZA 23-809
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWWet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ex-partner kinderopvangtoeslag tot voorschotbetaling wegens bindende afspraken en onrechtmatig handelen

In deze kortgedingprocedure vordert de ex-partner van een gedupeerde kinderopvangtoeslag (KOT) aanvrager een voorschot van €154.000,-- van de Staat, stellende dat tijdens een bespreking op 24 mei 2024 bindende afspraken zijn gemaakt over schadevergoeding en schuldsanering. De Staat betwist het bestaan van dergelijke bindende afspraken en voert aan dat de besproken bedragen slechts indicatief waren en dat de ex-partnerregeling formeel niet op ex-partners van toepassing is.

De rechtbank overweegt dat de standpunten over de inhoud van de bespreking sterk uiteenlopen en dat in kort geding geen diepgaand feitenonderzoek kan plaatsvinden. Het bestaan van bindende afspraken is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Subsidiair stelt de ex-partner onrechtmatig handelen van de Staat, maar ook dit is niet aannemelijk omdat de Staat zich houdt aan de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en reeds diverse bedragen heeft betaald.

De rechtbank concludeert dat de vordering onvoldoende aannemelijk is en dat het restitutierisico bij toewijzing te groot is. De vordering wordt afgewezen en de Staat wordt veroordeeld in de proceskosten. De persoonlijke situatie van de ex-partner is betreurenswaardig, maar rechtvaardigt geen onmiddellijke voorziening in dit kort geding.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot betaling van een voorschot af wegens onvoldoende aannemelijkheid van bindende afspraken en onrechtmatig handelen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/654294 / KG ZA 23-809
Vonnis in kort geding van 9 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.te [vestigingsplaats] ,
in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan
[naam 1]te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Toeslagen)te Den Haag,
gedaagde,
advocaten voorheen mrs. J. Duyster en L.J. Overwater te Den Haag thans mr. H.J.S.M. Langbroek te Den Haag.
Hoewel de bewindvoerder de formele procespartij is, zal de eisende partij hierna vooral worden aangeduid als ‘ [naam 1] ’. De gedaagde partij zal hierna worden aangeduid als ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken, waarbij de correspondentie over de meerdere pro forma aanhoudingen niet is opgenomen:
- de dagvaarding van 11 oktober 2023, met producties 1 tot en met 12 en de daarna toezonden producties 13 tot en met 19 en 20;
- de conclusie van antwoord, met productie 1 en de daarna toegezonden producties 2, 3 en 4;
- de op 31 oktober 2023 gehouden mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan partijen hun standpunten hebben toegelicht en een datum voor voortzetting is bepaald;
- de brief van mr. Thiescheffer van 22 november 2023, met producties 21 en 22;
- de brief van mr. Thiescheffer van 10 januari 2024, met producties 23 tot en met 25;
- de e-mail van mr. Thiescheffer van 12 januari 2024, met producties 26 en 27;
- de brief van mr. Langbroek van 12 januari 2024, met producties 5 tot en met 7;
- de op 15 januari 2024 gehouden voortzetting van de mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan de zaak na verdere behandeling pro forma is aangehouden;
- de e-mail van mr. Thiescheffer van 10 maart 2025;
- de e-mail van mr. Langbroek van 17 maart 2025;
- de e-mail van mr. Thiescheffer van 20 maart 2025;
- de e-mail van mr. Langbroek van 24 maart 2025;
- de akte van [naam 1] houdende een vermeerdering van eis en overlegging producties 28 en 30 tot en met 32;
- de separaat door mr. Thiescheffer ingediende productie 29;
- de e-mail van mr. Langbroek van 1 mei 2025;
- de nadere conclusie van de Staat, met producties 8 tot en met 11;
- de e-mail van mr. Thiescheffer van 15 mei 2025, met producties 33 en 34;
- de brief van mr. Langbroek van 16 mei 2025, met productie 12;
- de e-mail van mr. Thiescheffer van 16 mei 2025 waarin wordt meegedeeld dat de procedure op naam van de bewindvoerder wordt voortgezet;
- de op 19 mei 2025 gehouden voortzetting van de mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan de zaak na verdere behandeling opnieuw pro forma is aangehouden;
- de e-mail van mr. Thiescheffer van 30 september 2025, met producties 35 tot en met 37;
- de op 3 december 2025 door mr. Thiescheffer overgelegde producties 38 tot en met 44;
- de op 8 december 2025 gehouden voortzetting van de mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan de Staat pleitnotities heeft overgelegd en de vader van [naam 1] een door [naam 1] geschreven bief, die ter zitting is voorgelezen.
1.2.
Op 8 december 2025 is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[naam 1] is de ex-partner van een gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag (KOT). Samen hebben zij drie thans nog minderjarige kinderen die momenteel bij [naam 1] verblijven.
2.2.
De ex-partner van [naam 1] is in het kader van de hersteloperatie toeslagen gecompenseerd. Zij heeft destijds in het kader van de Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag forfaitair een bedrag van € 30.000,-- ter compensatie van geleden schade toegekend gekregen. Bij beschikking van 6 augustus 2021 heeft de Belastingdienst Toeslagen het definitieve aan de ex-partner van [naam 1] toekomende compensatiebedrag vastgesteld op € 20.318,--. Het verschil tussen dit compensatiebedrag en het reeds uitgekeerde bedrag van € 30.000,-- behoeft niet te worden terugbetaald. De ex-partner van [naam 1] heeft van de uitgekeerde € 30.000,-- een bedrag van € 26.000,-- aan [naam 1] betaalbaar gesteld.
2.3.
Op 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) in werking getreden. Met ingang van 15 juli 2023 is in de Wht een regeling opgenomen om ex-toeslagpartners eveneens van herstel te kunnen voorzien (hierna: ‘de ex-partnerregeling’). De Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) beslist op een aanmelding voor die regeling. Bij een positieve beslissing kent UHT aan de ex-toeslagpartner een forfaitair bedrag toe van € 10.000,-- ter compensatie van geleden schade. Daarnaast komt de ex-toeslagpartner in aanmerking voor ambtshalve kwijtschelding van openstaande publieke schulden die zijn ontstaan vóór 1 januari 2021. Ook is er voor ex-toeslagpartners een mogelijkheid om private schulden die zijn ontstaan in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 (hierna: ‘de referentieperiode’) te laten overnemen. De afbetaling/overname van private schulden wordt namens de minister van Financiën uitgevoerd door Sociale Banken Nederland (SBN), een organisatie waarbij 23 kredietbanken zijn aangesloten. Ex-toeslagpartners kunnen bij SBN een schuldenlijst indienen, waarna SBN beslist of een schuld wordt overgenomen. Tenslotte kunnen ex-toeslagpartners aanspraak maken op brede ondersteuning vanuit de gemeente.
2.4.
[naam 1] heeft zich op 11 oktober 2023 aangemeld voor de ex-partnerregeling. UHT heeft positief op die aanmelding beslist. In november 2023 heeft UHT uit hoofde van die regeling aan [naam 1] de forfaitaire vergoeding van € 10.000,-- betaald.
2.5.
[naam 1] heeft op 15 november 2023 een schuldenlijst ingediend bij SBN. SBN heeft bij besluit van 3 januari 2024 een aantal schulden niet dan wel slechts ten dele overgenomen. [naam 1] heeft bezwaar ingediend tegen dit besluit. Bij beslissing op bezwaar van 19 augustus 2024 heeft het Ministerie van Financiën, Programma DG Herstel, het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Ten aanzien van een ingediende huurschuld aan [bedrijfsnaam] van € 86.205,14, waarvan een deel (€ 27.206,13) is vergoed, is overwogen dat de overname terecht tot dat bedrag is beperkt omdat alleen dit gedeelte van de huurschuld binnen de referentieperiode van de Wht valt. Inmiddels loopt in verband hiermee bij de Raad van State een door [naam 1] ingestelde procedure in hoger beroep.
2.6.
[naam 1] heeft daarnaast ondersteuning gekregen van het Instituut voor Publieke Waarden (IPW). Het IPW heeft vanuit het Ministerie van Financiën de opdracht gekregen om, aanvullend op de brede ondersteuning die gemeenten bieden, gedupeerden van de KOT-affaire te helpen.
2.7.
Op 24 mei 2024 heeft een bespreking plaatsgevonden op het kantoor van de Belastingdienst Groningen. Bij dit gesprek waren aanwezig 1) [naam 1] , 2) de heer [naam 2] , de vader van [naam 1] , 3) de heer [naam 3] , landelijk vaktechnisch coördinator bij het onderdeel DG Herstel van het Ministerie van Financiën (hierna: ‘ [naam 3] ’), 4) mevrouw [naam 4] , jurist bij het Ministerie van Financiën (hierna: ‘ [naam 4] ’) en 5) de heer [naam 5] , eigenaar van schuldeiser [bedrijfsnaam] .
2.8.
De kantonrechter te Groningen heeft op 5 december 2024 bepaald dat vanaf 6 december 2024 tot 6 december 2029 bewind is ingesteld over de (toekomstige) goederen van [naam 1] wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden, zulks met benoeming van [eiseres] B.V. tot bewindvoerder.
2.9.
Bij brief van 24 maart 2025 heeft de advocaat van de Staat als volgt aan de advocaat van [naam 1] bericht:
2.10.
Op 4 april 2025 heeft [naam 1] bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Dit verzoek strekte tot het als getuigen horen van de hiervoor genoemde vijf personen die bij het gesprek van 24 mei 2024 aanwezig zijn geweest over de aard en inhoud van de volgens [naam 1] tijdens dit gesprek gemaakte bindende afspraken. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 22 mei 2025 toegewezen en het getuigenverhoor bepaald op 12 juni 2025.
2.11.
[naam 1] , de vader van [naam 1] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] zijn op 12 juni 2025 als getuigen gehoord. Van deze verhoren is een proces-verbaal opgemaakt. [naam 4] heeft blijkens dit proces-verbaal onder meer als volgt verklaard:
(…)
(…)

3.Het geschil

3.1.
[naam 1] heeft – zakelijk weergegeven – bij akte vermeerdering van eis gevorderd om de Staat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om bij wege van voorschot aan hem een bedrag te betalen van € 194.000,-- (€ 250.000,-- minus € 56.000,--), zulks met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert [naam 1] – samengevat – aan dat hij gebukt gaat onder een forse schuldenlast en diverse fysieke en mentale klachten, die direct verband houden met de KOT-affaire. Diverse schuldeisers dreigen volgens [naam 1] als gevolg van het uitblijven van betaling met het nemen van (verdergaande) executiemaatregelen, waaronder [bedrijfsnaam] . Dit heeft volgens [naam 1] potentieel vergaande gevolgen voor zowel hem als voor zijn bij hem wonende drie minderjarige kinderen. Primair stelt [naam 1] dat tijdens de bespreking op 24 mei 2024 een finaal akkoord is bereikt althans alle aanwezigen de intentie hadden om te komen tot een allesomvattende oplossing, waarbij a) zijn immateriële schade conform de kaders van de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH) (‘Methode Laurentien’) zou worden afgewikkeld, b) alle schulden zouden worden gesaneerd en c) [bedrijfsnaam] volledig zou worden gecompenseerd. Volgens [naam 1] is zijn immateriële schade daarbij vastgesteld op € 228.000,-- en dient [bedrijfsnaam] voor een bedrag van € 313.925,76 te worden gecompenseerd. De omstandigheid dat de Staat € 50.000,-- als voorschot op de immateriële schadevergoeding, € 6.000,-- voor levensonderhoud, € 20.000,-- voor gebitsrenovatie en € 10.000,-- uit hoofde van de ex-partnerregeling aan hem heeft betaald, onderschrijft naar de mening van [naam 1] de juistheid van zijn stelling dat op 24 mei 2024 bindende afspraken zijn gemaakt. Daarbij merkt [naam 1] op dat bedragen van € 20.000,-- en € 10.000,-- niet behoeven te worden verrekend met het uiteindelijk nog door de Staat te betalen bedrag. Subsidiair stelt [naam 1] dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt door hem niet (verdergaand) te hulp te schieten.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Ter zitting van 8 december 2025 heeft de advocaat van [naam 1] toegelicht dat hij een voorschot vordert van € 250.000,--, waarop in zijn visie een aantal reeds aan hem betaalde bedragen in mindering strekt. Nadat aanvankelijk hierover verschil van mening tussen partijen leek te bestaan, is ter zitting van 8 december 2025 door beide partijen erkend dat tot op heden door de Staat/het UHT een bedrag van € 106.000,-- aan [naam 1] is betaald. Daarbij gaat het om a) een in november 2023 betaald bedrag van € 10.000,-- uit hoofde van de ex-partnerregeling b) een in mei 2024 betaald bedrag van € 6.000,-- voor levensonderhoud c) een op 12 juli 2024 betaald bedrag van € 50.000,--, d) een op 26 maart 2025 betaald bedrag van € 20.000,-- en e) een op 28 mei 2025 betaald bedrag van € 20.000,--. Volgens de Staat strekken deze betalingen van in totaal € 106.000,-- volledig in mindering op het door [naam 1] genoemde voorschotbedrag van € 250.000,--. [naam 1] heeft in zijn akte vermeerdering van eis uitsluitend de betaalde bedragen van € 50.000,-- en € 6.000,-- op het bedrag van € 250.000,-- in mindering gebracht. Ter zitting heeft [naam 1] erkend dat de twee betaalde bedragen van elk € 20.000,-- eveneens op het bedrag van € 250.000,-- in mindering strekken. Ten aanzien van het bedrag van € 10.000,-- heeft [naam 1] volhard in zijn standpunt dat dit bedrag niet met het gevorderde voorschotbedrag behoeft te worden verrekend. Hoewel [naam 1] zijn vordering ter zitting van 8 december 2025 niet meer heeft gewijzigd, begrijpt de voorzieningenrechter die vordering aldus dat [naam 1] uiteindelijk betaling door de Staat vordert van een voorschot van € 154.000,-- (€ 250.000,-- minus € 96.000,--). Beoordeeld moet hierna dus worden of [naam 1] op een van de door hem aangevoerde gronden jegens de Staat aanspraak kan maken op betaling van dit voorschot.
4.2.
Bij die beoordeling stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop. Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van een geldvordering in kort geding terughoudendheid geboden. Onderzocht moet worden of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts dient in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden.
4.3.
Het primaire betoog van [naam 1] komt erop neer dat tijdens de bespreking van 24 mei 2024 bindende afspraken zijn gemaakt over zowel de vergoeding van zijn schade als het overnemen van al zijn schulden, waarbij het de bedoeling was om die afspraken uiterlijk eind 2024 in een vaststellingsovereenkomst vast te leggen. Naar de voorzieningenrechter begrijpt maakt [naam 1] in deze kortgedingprocedure primair met een beroep op nakoming van deze afspraken aanspraak op het door hem gevorderde voorschot. De Staat heeft gemotiveerd weersproken dat de door [naam 1] gestelde bindende afspraken zijn gemaakt. Volgens de Staat heeft [naam 4] tijdens de bespreking van 24 mei 2024 slechts een ‘denkrichting/perspectief’ geschetst, waarbij zij onder toepassing van de Methode Laurentien, die formeel uitsluitend op gedupeerden en niet tevens op ex-toeslagpartners mag worden toegepast, de bereidheid heeft uitgesproken om zich ervoor in te spannen dat aan [naam 1] onder voorwaarde van finale kwijting een bedrag van € 228.000,-- zou worden betaald. Dit bedrag zou volgens de Staat hebben te gelden als een vergoeding voor zowel de materiële als de immateriële schade van [naam 1] en hierop dienden de reeds betaalde bedragen van in totaal € 106.000,-- in mindering te strekken. Daarnaast is volgens de Staat door [naam 4] de bereidheid uitgesproken om te onderzoeken of er nog schulden van [naam 1] bij SBN kunnen worden ondergebracht, waarbij is besproken dat [naam 1] over die schulden nog informatie diende te verstrekken. [naam 1] heeft in reactie op dit standpunt van de Staat gesteld dat het bedrag van € 228.000,-- uitsluitend betrekking had op de vergoeding van zijn geleden immateriële schade.
4.4.
De voorzieningenrechter constateert dat de standpunten van partijen over hetgeen tijdens de bespreking van 24 mei 2024 is besproken en afgesproken sterk uiteenlopen. [naam 1] verwijst naar de verklaringen van de in het kader van het voorlopig getuigenverhoor gehoorde getuigen, maar dit kan hem niet baten. Daar waar in de verklaringen van [naam 1] , de vader van [naam 1] en [naam 5] steun kan worden gevonden voor het standpunt van [naam 1] , onderschrijven de verklaringen van [naam 4] (zie onder 2.11) en [naam 3] het door de Staat ingenomen standpunt. In het beperkte bestek van een kortgedingprocedure is voor nader feitenonderzoek en/of bewijslevering geen plaats. Bij die stand van zaken valt niet met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten dat een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de door [naam 1] gestelde allesomvattende bindende afspraken met de Staat zijn gemaakt en op die grondslag een bedrag minimaal gelijk aan het gevorderde voorschot zal toewijzen.
4.5.
[naam 1] heeft subsidiair betoogd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Naar de voorzieningenrechter begrijpt vordert [naam 1] betaling door de Staat van een voorschot van € 154.000,-- op de uit hoofde van onrechtmatige daad verschuldigde schadevergoeding.
Ook voor de vordering op deze grondslag geldt dat die in kort geding slechts toewijsbaar is als met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten is dat de bodemrechter haar zal toewijzen.
4.6.
Voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad moet voldaan zijn aan de vereisten van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). In dit artikel is bepaald dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt te vergoeden. Als onrechtmatige daad worden blijkens dit artikel aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.
4.7.
Naar de voorzieningenrechter begrijpt, stelt [naam 1] dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt door niet te voorzien in een verdergaande financiële compensatie. Beoordeeld dient te worden of de Staat hiermee inbreuk maakt op een aan [naam 1] toekomend recht dan wel in strijd handelt met een wettelijke plicht of de maatschappelijke zorgvuldigheid. De Staat heeft weersproken dat hij onrechtmatig jegens [naam 1] handelt en heeft betwist tot verdere bevoorschotting gehouden te zijn. De voorzieningenrechter volgt de Staat in dat verweer. Daartoe is het volgende redengevend. De Staat dient zich in het kader van de hersteloperatie toeslagen te houden aan het bepaalde in de Wht. Op grond van de Wht valt [naam 1] onder het bereik van de ex-partnerregeling. Vaststaat immers dat niet [naam 1] maar zijn ex-partner de teruggevorderde KOT heeft aangevraagd. [naam 1] is om die reden niet als gedupeerde aangemerkt en de juistheid van die beslissing, waartegen [naam 1] reeds vergeefs bestuursrechtelijk is opgekomen, kan in dit civielrechtelijke kort geding niet (opnieuw) ter discussie worden gesteld. Het is aan [naam 1] , als eisende partij, om aannemelijk te maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade als gevolg van de toeslagaffaire overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan de bedragen die hij tot dusverre heeft ontvangen. Door [naam 1] is vervolgens in dit kort geding niet aannemelijk gemaakt dat de Staat de ex-partnerregeling ten aanzien van hem onjuist of onvolledig heeft toegepast. Daartoe is van belang dat [naam 1] , na de eerste zitting in deze kortgedingprocedure, de forfaitaire schadevergoeding van € 10.000,-- uit hoofde van de ex-partnerregeling heeft ontvangen. Daarnaast heeft [naam 1] zijn private schulden kunnen indienen bij SBN, heeft hij aanvullende bedragen ontvangen en heeft hij steun ontvangen van de gemeente en IPW. In totaal heeft [naam 1] , naast het bedrag van € 26.000,- van zijn ex-partner, van UHT een bedrag van € 106.000,- ontvangen, is door IPW een bedrag van € 20.611,44 uitgekeerd en heeft SBN voor € 59.527,41 aan schulden van [naam 1] afbetaald.
4.8.
Dat [naam 1] – zoals hij stelt – recht heeft op een verdergaande financiële compensatie, valt in het bestek van deze kortgedingprocedure niet vast te stellen. [naam 1] heeft geen actueel overzicht overgelegd van de bedragen waarop hij meent recht te hebben, zodat de voorzieningenrechter onvoldoende inzicht heeft in de posten waaruit zijn vordering is opgebouwd. Reeds daarom is het niet mogelijk om te beoordelen of is voldaan aan alle vereisten voor compensatie op grond van de Wht en is het bestaan van een schadevordering ten belope van minimaal het thans gevorderde voorschotbedrag onvoldoende aannemelijk, nog daargelaten dat een diepgravende inhoudelijke beoordeling van de private schulden van [naam 1] het beperkte bestek van deze kortgedingprocedure ver te buiten gaat. Daar komt nog bij dat het (ook) niet duidelijk is of in de vordering private schulden zijn opgenomen die bij SBN zijn ingediend, maar niet zijn afbetaald door SBN. Tegen de beslissing van SBN om bepaalde private schulden – naar de voorzieningenrechter begrijpt vanwege het niet voldoen aan de wettelijke referentieperiode en/of vanwege het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing – niet dan wel gedeeltelijk over te nemen, loopt immers (zo heeft de voorzieningenrechter begrepen) nog een bestuursrechtelijke procedure bij de Raad van State loopt. Nu die procedure met voldoende waarborgen is omkleed, is ter zake voor de voorzieningenrechter geen rol weggelegd. Voor zover [naam 1] meent dat de minimale omvang van zijn vordering door de Staat is erkend vanwege het tijdens het gesprek van 24 mei 2024 door [naam 4] genoemde bedrag van € 228.000,--, wordt hij ook daarin niet gevolgd. De Staat heeft er in dat verband terecht op gewezen dat dit bedrag ter sprake is gekomen door toepassing van de Methode Laurentien, die niet open staat voor ex-partners, en dat enig bewijs dat [naam 1] tot dit bedrag schade lijdt als gevolg van de toeslagenaffaire ontbreekt. Een en ander betekent dat evenmin met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten is dat de bodemrechter de door [naam 1] gestelde vordering uit hoofde van onrechtmatige daad zal toewijzen.
4.9.
Op grond van al het voorgaande kan de voorzieningenrechter niet anders dan concluderen dat het bestaan van de door [naam 1] ingestelde vordering op zowel de primaire als de subsidiaire grondslag in deze procedure onvoldoende aannemelijk is geworden. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat het, vooral vanwege de benarde persoonlijke situatie van [naam 1] , zeer spijtig is te moeten constateren dat het partijen ondanks alle aanhoudingen in deze zaak om a) [naam 1] meer tijd en gelegenheid te bieden om zijn schulden en vorderingen te inventariseren, inzichtelijk te maken en deugdelijk te onderbouwen, b) de hulpverlening aan [naam 1] van de grond te krijgen en c) partijen de gelegenheid te bieden met elkaar in overleg te treden, niet is gelukt om tot een minnelijke regeling te komen. Gelet op het aan te houden toetsingskader ziet de voorzieningenrechter ook in het kader van een belangenafweging geen ruimte om de Staat te veroordelen tot betaling van meer dan hij tot nu toe gedaan heeft. Dit betekent dat de vordering zal worden afgewezen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter ten overvloede nog dat de Staat terecht heeft opgemerkt dat bij toewijzing van enig voorschot vanwege de penibele financiële situatie van [naam 1] sprake zou zijn van een onevenredig groot restitutierisico.
4.10.
De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheid dat sinds het uitbrengen van de kortgedingdagvaarding aanzienlijke bedragen aan [naam 1] zijn voldaan, met welke bedragen (op een bedrag van € 10.000,-- na) [naam 1] uiteindelijk zijn vordering heeft verminderd, aanleiding om de Staat aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij en te veroordelen in de proceskosten. De proceskosten van [naam 1] worden begroot op:
- griffierecht € 86,--
- salaris advocaat € 2.767,50
- nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 3.031,50
4.11.
Ter nadere toelichting op voormelde begroting wordt overwogen dat [naam 1] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Eisers met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van [naam 1] . Gelet op het voorgaande wordt de Staat veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht en vergoeding van het salaris van de advocaat, berekend op 2,5 punt van het gebruikelijke tarief van € 1.107,--. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding. Ten slotte vallen onder de proceskosten ook de nakosten. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel. In geval van betekening van het vonnis wordt een extra bedrag aan salaris toegekend. De explootkosten van de betekening van het vonnis komen in dit geval niet voor vergoeding in aanmerking.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt de Staat in de proceskosten van € 3.031,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Staat niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de Staat € 92,-- extra betalen;
5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.
mw