ECLI:NL:RBDHA:2026:1213
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ex-partner kinderopvangtoeslag tot voorschotbetaling wegens bindende afspraken en onrechtmatig handelen
In deze kortgedingprocedure vordert de ex-partner van een gedupeerde kinderopvangtoeslag (KOT) aanvrager een voorschot van €154.000,-- van de Staat, stellende dat tijdens een bespreking op 24 mei 2024 bindende afspraken zijn gemaakt over schadevergoeding en schuldsanering. De Staat betwist het bestaan van dergelijke bindende afspraken en voert aan dat de besproken bedragen slechts indicatief waren en dat de ex-partnerregeling formeel niet op ex-partners van toepassing is.
De rechtbank overweegt dat de standpunten over de inhoud van de bespreking sterk uiteenlopen en dat in kort geding geen diepgaand feitenonderzoek kan plaatsvinden. Het bestaan van bindende afspraken is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Subsidiair stelt de ex-partner onrechtmatig handelen van de Staat, maar ook dit is niet aannemelijk omdat de Staat zich houdt aan de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en reeds diverse bedragen heeft betaald.
De rechtbank concludeert dat de vordering onvoldoende aannemelijk is en dat het restitutierisico bij toewijzing te groot is. De vordering wordt afgewezen en de Staat wordt veroordeeld in de proceskosten. De persoonlijke situatie van de ex-partner is betreurenswaardig, maar rechtvaardigt geen onmiddellijke voorziening in dit kort geding.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot betaling van een voorschot af wegens onvoldoende aannemelijkheid van bindende afspraken en onrechtmatig handelen.