De rechtbank Den Haag behandelde op 17 april 2026 het verzoek van de man om vervangende toestemming voor erkenning van zijn minderjarige kind en een omgangsregeling. De man was niet verschenen en liet niets meer van zich horen, terwijl de moeder ernstige zorgen uitte over het risico dat de man het kind zonder haar toestemming naar Tunesië zou meenemen. De Raad voor de Kinderbescherming had geadviseerd de toestemming te verlenen, maar de bijzondere curator stond hier tegenover en wilde de juridische situatie in lijn brengen met de biologische werkelijkheid.
De rechtbank oordeelde dat het risico op ontvoering niet kon worden uitgesloten, mede doordat de man niet op de zitting verscheen en zijn intenties onduidelijk bleven. Dit leidde tot spanning en stress bij de moeder, die daarom op een geheim adres woont. De belangen van de moeder en de emotionele ontwikkeling van het kind zouden hierdoor worden geschaad. Daarom werd het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning afgewezen.
Ook het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling werd afgewezen. De man had nauwelijks contact gezocht met het kind en toonde onvoldoende motivatie om een blijvende relatie op te bouwen. De rechtbank zag geen reden om de zaak langer aan te houden en beëindigde de werkzaamheden van de bijzondere curator. Iedere partij draagt de eigen proceskosten.