ECLI:NL:RBDHA:2026:12024

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 mei 2026
Zaaknummer
C/09/702681 / FA RK 26-3303
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 3.2.3 Wlz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor cliënt met dementie

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot het verlenen van een rechterlijke machtiging voor opname en verblijf van een cliënt met een psychogeriatrische aandoening, namelijk dementie. De cliënt vertoonde ernstig nadeel door een forse stoornis in het kortetermijngeheugen, waardoor zij geen zelfzorg meer initieerde. De zoon van de cliënt was sinds 27 maanden mantelzorger, maar raakte overbelast door de toenemende geheugen- en executieve problemen van zijn moeder, die tevens verbale en fysieke agressie jegens hem vertoonde. De thuissituatie was onveilig, met meerdere politiebezoeken vanwege agressie en brandrisico's door achtergelaten gaspitten en kaarsen.

De cliënt verzette zich verbaal tegen opname, maar de rechtbank oordeelde dat opname in een accommodatie noodzakelijk en geschikt was om het ernstig nadeel te voorkomen. Er waren geen minder ingrijpende alternatieven beschikbaar. De zoon stelde dat terugkeer naar huis mogelijk was met 24-uurszorg, maar dit was onzeker en kon leiden tot nieuwe escalaties. De rechtbank volgde de Hoge Raad in het toepassen van een termijnkorting vanwege de late aanvraag, waardoor de machtiging een dag korter geldt dan zes maanden.

De rechtbank besloot de machtiging toe te wijzen voor de duur van zes maanden, tot en met 14 oktober 2026, en wees het verzoek om een kortere termijn af. De beslissing werd genomen na een mondelinge behandeling waarbij cliënt, haar advocaat, de specialist ouderengeneeskunde, de verzorgende en de zoon werden gehoord.

Uitkomst: De rechtbank verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden met een termijnkorting tot 14 oktober 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/702681 / FA RK 26-3303
Datum beschikking: 15 april 2026

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf

Beschikkingnaar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:

[cliënt] ,

hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1944 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [accommodatie] ,
advocaat: mr. A. Alam-Khan te Delft.

Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 3 april 2026.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 17 maart 2026;
- een aanvraag voor een rechterlijke machtiging aan het CIZ van 2 april 2026;
- een op 31 maart 2026 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, J. Bade, die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was;
- een zorgplan van 24 maart 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
- de specialist ouderengeneeskunde, [naam 1] ;
- de eerst verantwoordelijk verzorgende, [naam 2]
- de zoon van cliënt.

Standpunten ter zitting

Cliënt heeft naar voren gebracht dat er thuis veel conflicten waren tussen haarzelf en haar zoon en dat hier ook meldingen van zijn gedaan. Zij vergeet die periode het liefst. De verzorging op de afdeling van het tehuis is niet slecht.
De advocaat van betrokkene heeft verzocht om het verzoek toe te wijzen voor een kortere
duur dan de verzochte zes maanden, namelijk voor de duur van twee maanden, zodat de zorg in het ambulante kader kan worden geregeld. Zoon en cliënt geven aan dat terugkeer naar huis mogelijk is met 24-uurszorg. De zoon woont in de woning van cliënt en hij heeft nu inzicht in het ziektebeeld gekregen waardoor escalaties tussen moeder en zoon niet meer voor zullen komen.
Namens de zorginstelling is naar voren gebracht dat cliënt opknapt op de huidige afdeling en dat het door de zoon geopperde naar huis gaan alleen mogelijk kan zijn als er 24-uur zorg door professionals in het thuiskader geboden kan worden.
Daarnaast dient ervoor te worden gewaakt dat de zoon van cliënt niet wederom overbelast raakt, hetgeen weer kan leiden tot nieuwe escalaties. De eerdere escalaties hebben tot ernstige situaties geleid. Er is geen sprake van ziekte-inzicht bij cliënt. De zoon van cliënt dient met de locatiemanager in gesprek te gaan over zijn zorgen met betrekking tot de zorg op de voorgaande afdeling.
Het is ongewenst dat het verzoek voor kortere duur wordt toegewezen, omdat onduidelijk is of er wel een mogelijkheid is om de 24-uur thuiszorg rond te krijgen en hoelang dit zal duren.
De zoon van cliënt heeft naar voren gebracht dat hij de zorg van cliënt in het thuiskader wil voortzetten. Op de vorige afdeling liet de zorg te wensen over. Daarom is zij verhuisd naar de huidige afdeling. Hij is ermee bezig om de benodigde 24-uur thuiszorg rond te krijgen.

Beoordeling

Op 19 februari 2026 is door de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend tot en met 2 april 2026.
Op 3 april 2026 heeft het CIZ een aanvraag voor een rechterlijke machtiging ingediend. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:782) waarin de Hoge Raad in zo een geval heeft beslist dat de aanvraag als aanvraag voor een opvolgende machtiging kan worden behandeld. In zo een geval dient de rechtbank de termijnoverschrijding wel in mindering te brengen op de geldigheidsduur van de af te geven machtiging.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening te weten dementie.
Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit:
- levensgevaar;
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- de situatie dat cliënt met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;
- de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
Door een forse stoornis in het kortetermijngeheugen heeft cliënt geen initiatieven meer tot zelfzorg. Voorafgaand aan de opname, was de zoon van cliënt sinds 27 maanden continu bij zijn moeder in haar woning. Hij raakte echter overbelast als mantelzorger vanwege haar toenemende geheugenproblemen en executieve problemen waarbij zij veel appel op hem deed. Cliënt was volledig afhankelijk van zijn continue ondersteuning en zij duldde geen andere hulp of ondersteuning. Cliënt uitte voortdurend verbale en herhaaldelijk ook fysieke agressie jegens haar zoon. Zijzelf vergat dit echter vrijwel direct weer. De zoon kon de agressie die het bij hem opriep moeizaam inhouden waardoor escalaties in thuissituatie zijn ontstaan. Sinds juli 2025 is de politie zeven keer langs geweest vanwege meldingen van agressie en overlast in huis. Cliënt liet thuis regelmatig de gaspitten en kaarsen aan wat ernstige brandrisico's met zich mee bracht. De huisarts acht de thuissituatie nog steeds niet veilig voor cliënt. Thuiszorg voelde zich niet veilig, werd weggestuurd en ook de wijkverpleging voelde zich bedreigd.
De opname en het verblijf in een accommodatie zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de opname en het verblijf in een accommodatie. Bij navraag geeft cliënt consistent aan naar huis te willen. Er is sprake van verbaal verzet tegen verblijf in het verpleeghuis, zowel door cliënt naar de verzorgers toe, als door zoon bij overleggen met de behandelend arts.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de duur van zes maanden. Nu het verzoek tot een rechterlijke machtiging is ingediend na de expiratiedatum van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, zal de rechtbank hiermee rekening houden bij het bepalen van de einddatum van deze machtiging.
Het door de zoon geopperde alternatief van de mogelijkheid tot 24-uur zorg in het ambulante kader is onzeker voor wat betreft de verwezenlijking. De verwezenlijking kan mogelijk een reden zijn om de situatie opnieuw (tussentijds) te evalueren, maar gezien de onzekerheid wordt de machtiging verleend voor de gevraagde termijn van 6 maanden.

Beslissing

De rechtbank:
verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie ten aanzien van:

[cliënt] ,

geboren op [geboortedatum] 1944 te [geboorteplaats] ,
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 14 oktober 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. van den Dries, rechter, bijgestaan door mr. F.H. Lüchinger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 april 2026.