ECLI:NL:RBDHA:2026:11992
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Voorlopige regeling omgangscontact en begeleiding minderjarige kinderen na beëindiging relatie ouders
De zaak betreft een kort geding tussen ouders die uit elkaar zijn gegaan in 2022 en gezamenlijk gezag hebben over twee minderjarige kinderen geboren in 2015 en 2021. De vader, met Oostenrijkse nationaliteit, vordert nakoming van een omgangsregeling vastgesteld door een Duits gerechtshof, die de moeder stopzette wegens zorgen over veiligheid en vermeend geweld.
De moeder voert aan dat de kinderen spanningsklachten vertonen en dat er sprake is van huiselijk geweld in het verleden, wat de veiligheid van de kinderen bij de vader in gevaar brengt. De vader betwist dit en stelt dat de kinderen een loyaliteitsconflict ervaren. De rechter oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat de zaak spoedeisend is.
Uit onderzoek van Veilig Thuis blijkt dat de zorgen over veiligheid niet bevestigd kunnen worden, maar dat er wel grote spanningen en een loyaliteitsconflict zijn, vooral bij de oudste minderjarige. De rechter besluit dat direct contact niet zonder meer kan worden hervat, maar stelt een voorlopige videobelregeling in en verwijst ouders naar een omgangsbegeleidingstraject. De moeder wordt tevens verplicht de kinderen aan te melden voor passende hulpverlening.
De vordering tot dwangsom wordt afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en vormt een voorlopige voorziening in afwachting van de bodemprocedure.
Uitkomst: De rechter stelt een voorlopige videobelregeling in en verwijst ouders naar omgangsbegeleiding, wijst dwangsom af en laat partijen ieder hun eigen kosten dragen.