ECLI:NL:RBDHA:2026:11984

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 mei 2026
Zaaknummer
C/09/686313 / FA RK 25-4166
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • R.S. Matthijssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:253a BWArt. 1:253c BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag en vaststelling zorg- en alimentatieregeling voor minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over de minderjarige te verkrijgen, die tot dan toe onder eenhoofdig gezag van de moeder viel. De vader wilde mede beslissingsbevoegdheid en een zorgregeling met geleidelijke uitbreiding van contactmomenten, inclusief weekendverblijven en vakanties. De moeder verzette zich deels, met name vanwege communicatieproblemen en bezwaren tegen een te snelle uitbreiding van de zorgregeling.

De rechtbank oordeelde dat onvoldoende contra-indicaties bestonden om gezamenlijk gezag te weigeren, ondanks moeizame communicatie. Het belang van het kind en het uitgangspunt van gezamenlijk gezag werden leidend geacht. De zorgregeling werd gefaseerd opgebouwd met langere wenningsperioden, waarbij de moeder de minderjarige naar de vader brengt en terughaalt om emotionele toestemming te bevorderen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een begeleidingsprogramma.

De alimentatie werd vastgesteld op € 227,- per maand vanaf 4 juni 2025, met een verlaging naar € 200,- per maand vanaf 1 oktober 2026, rekening houdend met de draagkracht van de ouders en de zorgkorting. De vakantie- en feestdagenregeling werd vastgesteld met een verdeling over de ouders, ingaand na de opbouw van de zorgregeling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst gezamenlijk gezag toe, stelt een gefaseerde zorgregeling en kinderalimentatie vast met ingang van 4 juni 2025.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4166
Zaaknummer: C/09/686313
Datum beschikking: 15 april 2026

Gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en alimentatie

Beschikking op het op 4 juni 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.G.T. Meershoek te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.S. van Haeften te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van de vader van 26 februari 2026, met bijlagen;
  • het F9-formulier van de moeder van 5 maart 2026, met bijlagen;
  • het F9-formulier van de vader van 9 maart 2026, met bijlagen.
Op 17 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt de rechtbank om, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, de door de vader te betalen kinderalimentatie op € 229,- per maand te bepalen, althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, kosten rechtens.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de vader zelfstandig verzocht:
  • het eenhoofdig gezag van de moeder te beëindigen en te bepalen dat de vader gezamenlijk met de moeder het gezag over [de minderjarige] zal uitoefenen;
  • een zorgregeling vast te stellen, zoals genoemd onder randnummer 22 van het verweerschrift, inhoudende dat de volgende opbouwregeling vastgesteld wordt:
- maand 1: [de minderjarige] zal bij de vader zijn iedere zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de vader zelf invulling geeft aan de dagbesteding en waarbij geldt dat de moeder niet aanwezig is;
- maand 2: [de minderjarige] zal bij de vader zijn in de ene week op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur en in de andere week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 10.00 uur, waarbij geldt dat de moeder niet aanwezig is;
- vanaf maand 3: [de minderjarige] zal bij de vader zijn om het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school;
althans een zodanige zorgregeling als de rechtbank juist acht;
- een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen, zoals genoemd onder randnummer 23 van het verweerschrift, inhoudende dat de volgende regeling wordt vastgesteld:
Vakanties
- herfstvakantie: in even jaren bij de moeder, in oneven jaren bij de vader;
- kerstvakantie: in even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder, in oneven jaren andersom;
- voorjaarsvakantie: in even jaren bij de vader, in oneven jaren bij de moeder;
- zomervakantie: in even jaren de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader; in oneven jaren andersom;
Feestdagen
- Vaderdag: bij de vader;
- Moederdag: bij de moeder;
- verjaardagen vader, moeder en [de minderjarige] : conform reguliere regeling;
- kerstavond: in even jaren bij de vader, in oneven jaren bij de moeder;
- eerste kerstdag: in even jaren bij de vader, in oneven jaren bij de moeder;
- tweede kerstdag: in even jaren bij de moeder, in oneven jaren bij de vader;
- Oud en Nieuw: in even jaren bij de moeder, in oneven jaren bij de vader;
- Sinterklaas: in even jaren bij de vader, in oneven jaren bij de moeder;
- Goede Vrijdag: in even jaren bij de vader, in oneven jaren bij de moeder;
- Pasen: in even jaren eerste paasdag bij de moeder en tweede paasdag bij de vader, in oneven jaren andersom;
- Koningsdag, Pinksteren, Bevrijdingsdag en Hemelvaart: conform reguliere regeling
althans een zodanige vakantie- en feestdagenregeling als de rechtbank juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast.
  • [de minderjarige] staat ingeschreven bij de moeder.

Beoordeling

Gezag
Wettelijk kader
Op grond van art. 1:253c BW eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van een kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten. Dit verzoek wordt op grond van het tweede lid van voornoemd artikel slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt om hem mede met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] te belasten. Hij wil invulling geven aan zijn zorgplicht en hij wil betrokken worden bij belangrijke beslissingen over [de minderjarige] ’s leven. Hij vreest dat de moeder hem buitenspel zal blijven zetten en hem niet zal informeren als zijn verzoek wordt afgewezen.
De moeder voert verweer. Zij stelt dat zij tot op heden alle beslissingen over [de minderjarige] zelf heeft genomen en is bang dat gezamenlijk gezag voor problemen zal zorgen. Uit de door haar overgelegde e-mails en appjes blijkt dat de ouders niet constructief communiceren.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun kinderen en dat een verzoek om gezamenlijk gezag slechts in uitzonderingsgevallen wordt afgewezen. Zowel uit de stukken als hetgeen op de zitting is besproken, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken van contra-indicaties voor gezamenlijk gezag . De communicatie tussen de ouders verloopt weliswaar af en toe moeizaam en op verwijtende toon, maar niet zodanig slecht dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken.
De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader toewijzen en bepalen dat de ouders voortaan gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uitoefenen.
Aangezien de rechtbank het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag zal toewijzen, zal zij hierna spreken over een zorgregeling.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a tweede lid onder a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt om de vaststelling van een zorgregeling met [de minderjarige] . Hij wil dat er wordt toegewerkt naar een weekendregeling en dat ook een vakantie- en feestdagenregeling wordt vastgesteld. De ouders hebben in maart 2025 onderling een voorlopige zorgregeling afgesproken, waarbij de vader [de minderjarige] iedere zondag van 11.00 tot 14.00 uur ziet. De voorlopige regeling loopt goed, maar de vader vindt wel lastig dat [de minderjarige] soms aangeeft dat zij niet met hem mee naar zijn huis mag of wil. Hij wil [de minderjarige] op zo’n moment niet dwingen. De vader heeft op zitting toegelicht dat het voor hem soms lastig is om goed invulling te geven aan de overeengekomen zorgregeling, omdat [de minderjarige] niet met hem mee naar huis wil of mag.
De moeder stelt dat de voorlopige regeling zeer moeizaam verloopt en niet altijd (volledig) wordt nagekomen. De vader brengt [de minderjarige] vrijwel altijd eerder naar huis. Ook is het voorgekomen dat [de minderjarige] niet meewilde. De vader wilde haar toen niet dwingen. De moeder acht dwang ook niet in [de minderjarige] ’s belang. Ten aanzien van de overnachtingen geeft de moeder aan dat [de minderjarige] ook moeite heeft met overnachten bij andere familieleden. Het ligt dus niet aan de vader, maar aan [de minderjarige] zelf dat zij niet bij de vader wil overnachten. De behoeften en belastbaarheid van [de minderjarige] moeten leidend zijn bij het vaststellen van de zorgregeling. Er moet eerst structureel uitvoering gegeven worden aan de voorlopige zorgregeling, voordat deze kan worden uitgebreid. De moeder heeft op dit moment nog onvoldoende vertrouwen in de vader. Daarom stelt zij een voorlopige zorgregeling voor van eenmaal per twee weken op zondag van 11.00 uur tot 13.00 uur. De moeder kan zich ook niet vinden een verdeling van de vakanties. De vader heeft niet genoeg vrije dagen en de regeling verloopt nog niet goed genoeg. Op den duur kan een verdeling van vakanties aan de orde zijn, maar geen verdeling bij helfte. Een verdeling van enkele feestdagen is wel mogelijk, maar zonder overnachting.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, blijkt dat de ouders het erover eens zijn dat contact tussen de vader en [de minderjarige] belangrijk is. De regeling die de ouders onderling overeengekomen zijn van zondag 11.00 tot 14.00 uur is ook een tijdlang goed gegaan. Ook is voor de ouders duidelijk dat het van groot belang is dat deze regeling goed en consequent wordt nagekomen.
De rechtbank vindt het in belang van [de minderjarige] dat deze onderlinge regeling wordt uitgebreid, zodat zij en de vader een ouder-kind band kunnen opbouwen. Daarvoor is het ook van belang dat [de minderjarige] bij de vader thuis komt, en de vader en [de minderjarige] niet enkel buitenshuis invulling geven aan de contactmomenten. De rechtbank zal aansluiten bij de door de vader en de Raad voorgestelde stappen, maar zal gelet op de bezwaren van de moeder een langere opbouwperiode vaststellen, waardoor [de minderjarige] en de ouders steeds 2 maanden te tijd krijgen om te wennen aan de uitbreiding van het contactmoment. Door het consequent nakomen van de zorgregeling kan ook het onderlinge vertrouwen tussen de ouders groeien. De ouders kunnen deze periode van opbouw desgewenst ook gebruiken om de door de Raad voorgestelde hulpverlening op te starten. De Raad heeft ter zitting aangegeven dat een traject bij Kracht of RondomJou, waarbij gekeken wordt naar [de minderjarige] en haar behoeften, helpend zou kunnen zijn. De huisarts kan de ouders doorverwijzen naar een dergelijk traject.
Concreet betekent dat de rechtbank zal bepalen dat [de minderjarige] de komende periode als volgt bij de vader verblijft:
  • met ingang van woensdag 22 april 2026: iedere woensdag uit school (of vanaf 12.15 uur in vakanties) tot 15.00 uur en op zondag van 11.00 tot 14.00 uur;
  • met ingang van woensdag 17 juni 2026: iedere woensdag uit school (of vanaf 12.15 uur in vakanties) tot 17.00 uur en op zondag van 11.00 tot 17.00 uur;
  • met ingang van woensdag 12 augustus 2026: iedere woensdag uit school (of vanaf 12.15 uur in vakanties) tot 17.00 uur en om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 10.00 uur;
  • met ingang van woensdag 14 oktober 2026: om de week van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur.
Gelet op de weerstand van [de minderjarige] en de reacties van de ouders daarop, acht de rechtbank het in haar belang dat de moeder haar op de zondag (en later op de zaterdag) naar het huis van de vader toebrengt en dat de vader haar terugbrengt. De rechtbank verwacht dat [de minderjarige] dat op deze manier meer emotionele toestemming van haar moeder zal voelen voor verblijf bij haar vader in huis. Verder zal de rechtbank bepalen dat de vader [de minderjarige] op woensdag (en later op vrijdag) uit school haalt en haar steeds naar de moeder terugbrengt.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting voorgesteld een bijzondere curator te benoemen, maar daarvoor ziet de rechtbank geen aanleiding. Een benoeming van een bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW Pro is aan de orde als de belangen van de ouders in strijd zijn met die van de minderjarige. Aangezien beide ouders van mening zijn dat contact met de vader in het belang van [de minderjarige] is, is er geen sprake van een belangenstrijd.
De rechtbank zal daarnaast het verzoek van de vader om een vakantie- en feestdagenregeling toewijzen, met dien verstande dat deze pas ingaat nadat de zorgregeling is opgebouwd. De rechtbank acht het namelijk in het belang van [de minderjarige] dat zij ook vakanties en feestdagen met de vader kan doorbrengen, maar wel pas als zij er al aan gewend is om bij hem te overnachten. Ten aanzien van het bezwaar van de moeder dat de vader onvoldoende vrije dagen heeft om dit te bewerkstelligen, overweegt de rechtbank dat de ouder bij wie [de minderjarige] verblijft, de verantwoordelijkheid heeft over hoe de zorg wordt vormgegeven. Het is dus aan de vader om ervoor te zorgen dat [de minderjarige] goed verzorgd wordt als zij bij hem is en om opvang voor haar te regelen in het geval hij te weinig vakantiedagen heeft.
Alimentatie
De moeder heeft in het petitum van haar verzoekschrift verzocht om de kinderalimentatie op € 229,- per maand te bepalen. In haar berekening komt zij uit op een hoger door de vader te betalen bedrag. De advocaat van de moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij haar verzoek daarom wil wijzigen, in die zin dat wordt verzocht om de kinderalimentatie op
€ 265,- per maand te bepalen.
Aangezien de moeder haar verzoek niet schriftelijk heeft gewijzigd en de vader bezwaar heeft gemaakt tegen de mondelinge wijziging van het verzoek, zal de rechtbank uitgaan van het oorspronkelijke verzoek van de moeder om de kinderalimentatie op € 229,- per maand te bepalen.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW Pro een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal de kinderalimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, omdat gebleken is dat de vader sindsdien niet meer heeft bijgedragen aan de kosten voor [de minderjarige] . Hij had vanaf de indiening van het verzoek rekening kunnen houden met zijn verplichting tot bijdrage.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige] in 2022 € 228,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 267,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht moeder
Conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen onder paragraaf 4.3.3. wordt geen draagkracht aangenomen bij de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft en die een bijstandsuitkering krijgt. Volgens de vader moet van dit uitgangspunt worden afgeweken en moet worden aangenomen dat de moeder een draagkracht van € 25,- per maand heeft. Hij stelt dat de moeder zich moet inspannen om een baan te vinden, zodat gerekend kan worden met een verdiencapaciteit.
Met de moeder is de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om af te wijken van het uitgangspunt van de expertgroep. De moeder voldoet aan de voorwaarden voor een bijstandsuitkering, waaronder een sollicitatieplicht. De rechtbank zal daarom de draagkracht van de moeder op nihil bepalen.
Draagkracht vader
Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de vader in 2026 € 341,- per maand bedraagt. Uit de stukken is de rechtbank gebleken dat het inkomen van de vader in 2025 iets lager lag dan in 2026. Aangezien niet de draagkracht van de vader, maar de behoefte van [de minderjarige] de beperkende factor is, ziet de rechtbank geen aanleiding om de draagkracht van de vader naar aanleiding van zijn inkomen in 2025 te berekenen.
De rechtbank zal daarom de draagkracht van de vader op € 341,- per maand bepalen.
Draagkrachtvergelijking
Als partijen samen genoeg draagkracht hebben voor de kosten van de kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
Door het ontbreken van een draagkracht aan de zijde van de moeder, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De totale behoefte van [de minderjarige] , te weten € 267,- per maand, komt dus voor rekening van de vader.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Aangezien de rechtbank een langdurige opbouwperiode ten aanzien van de zorgregeling zal vaststellen, ziet zij aanleiding om met twee verschillende periodes te werken.
Periode I: met ingang van 4 juni 2025
Omdat de vader in deze periode gemiddeld een dag per week de zorg heeft voor [de minderjarige] geldt een percentage van 15. De zorgkorting bedraagt dan € 40,- per maand (15% van € 267,-).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de vader te betalen bijdrage bedraagt dan € 227,- per maand (€ 267,- -/- € 40,-).
Periode II: met ingang van 1 oktober 2026
Omdat de vader vanaf 1 oktober 2026 gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor [de minderjarige] , geldt een percentage van 25. De zorgkorting bedraagt dan € 67,- per maand (25% van € 267,-).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de vader te betalen bijdrage bedraagt dan € 200,- per maand (€ 267,- -/- € 67,-).
Conclusie
De rechtbank zal de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige] met ingang van met ingang van 4 juni 2025 op € 227,- per maand, en met ingang van 1 oktober 2026 op € 200,- per maand bepalen. Het door de moeder ten aanzien van de kinderalimentatie meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 202 te [geboorteplaats] ;
stelt vast de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat [de minderjarige] bij de vader is:
  • met ingang van woensdag 22 april 2026: iedere woensdag uit school (of vanaf 12.15 uur in vakanties) tot 15.00 uur en op zondag van 11.00 tot 14.00 uur;
  • met ingang van woensdag 17 juni 2026: iedere woensdag uit school (of vanaf 12.15 uur in vakanties) tot 17.00 uur en op zondag van 11.00 tot 17.00 uur;
  • met ingang van woensdag 12 augustus 2026: iedere woensdag uit school (of vanaf 12.15 uur in vakanties) tot 17.00 uur en om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 10.00 uur;
  • met ingang van woensdag 14 oktober 2026: om de week van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur;
stelt met ingang van de herfstvakantie 2026 de volgende vakantie- en feestdagenregeling vast:
vakanties
  • herfstvakantie: in even jaren bij de moeder, in oneven jaren bij de vader;
  • kerstvakantie: in even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder, in oneven jaren andersom;
  • voorjaarsvakantie: in even jaren bij de vader, in oneven jaren bij de moeder;
  • zomervakantie: in even jaren de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader; in oneven jaren andersom;

feestdagen

  • Vaderdag: bij de vader;
  • Moederdag: bij de moeder;
  • verjaardagen vader, moeder en [de minderjarige] : conform de reguliere regeling;
  • kerstavond: in even jaren bij de vader, in oneven jaren bij de moeder;
  • eerste kerstdag: in even jaren bij de vader, in oneven jaren bij de moeder;
  • tweede kerstdag: in even jaren bij de moeder, in oneven jaren bij de vader;
  • Oud en Nieuw: in even jaren bij de moeder, in oneven jaren bij de vader;
  • Sinterklaas: in even jaren bij de vader, in oneven jaren bij de moeder;
  • Goede Vrijdag: in even jaren bij de vader, in oneven jaren bij de moeder;
  • Pasen: in even jaren eerste paasdag bij de moeder en tweede paasdag bij de vader, in oneven jaren andersom;
  • Koningsdag, Pinksteren, Bevrijdingsdag en Hemelvaart: conform de reguliere regeling;
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 4 juni 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 227,- per maand, en met ingang van 1 oktober 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 200,- zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 april 2026.