ECLI:NL:RBDHA:2026:1190

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
09/203028-24 en 09/226850-23 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 45 SrArt. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging doodslag met mes en oplegging tbs met dwangverpleging

De rechtbank Den Haag heeft op 26 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van poging tot doodslag op 23 juni 2024. De verdachte stak het slachtoffer meerdere keren met een mes in borst, rug en hand, waarbij levensbedreigend letsel mogelijk was. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel heeft aanvaard.

De verdediging voerde noodweerexces en psychische overmacht aan, maar deze verweren werden verworpen. De rechtbank stelde vast dat de verdachte na een ogenblikkelijke aanranding door het slachtoffer een moment wachtte voordat hij het mes trok en aanvallend handelde. Psychische overmacht werd niet aannemelijk geacht omdat de drang niet van buiten kwam.

De verdachte bleek verminderd toerekeningsvatbaar door een matig tot licht verstandelijke beperking en ernstige stoornissen in middelengebruik. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, met aftrek van voorarrest, en een ongemaximeerde tbs met dwangverpleging vanwege het hoge recidiverisico en de ernst van het feit.

De benadeelde partij kreeg een immateriële schadevergoeding van €5.000 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het delict. De rechtbank wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af wegens disproportionaliteit met de opgelegde straf en maatregel.

De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, met als rechters M.R. Aaron (voorzitter), M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en C.M. Zandbergen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en ongemaximeerde tbs met dwangverpleging wegens poging tot doodslag.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/203028-24 en 09/226850-23 (tul)
Datum uitspraak: 26 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 1 oktober 2024, 4 december 2024, 19 februari 2025, 8 mei 2025, 21 juli 2025, 14 oktober 2025 (alle pro forma) en 12 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. Snoep en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. F. van den Berg naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 juni 2024 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst en/of de rug en/of de hand, in elk geval in het lichaam van die [aangever] , heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 juni 2024 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst
en/of de rug en/of de hand, in elk geval in het lichaam van die [aangever] , heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024198403, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 82).
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 12 januari 2026, voor zover inhoudende:
U houdt mij de verdenking voor. Ik stond bij de Esso in het centrum. Alles ging snel, binnen een paar minuten zat ik op het politiebureau. U houdt mij voor dat ik [aangever] meermaals zou hebben gestoken. Ja.
2. De eigen waarneming van de rechtbank van de camerabeelden met bestandsnaam 8543_Laan_JanHendrikstr_uuid-d2a00dd6-8424-c461-ce3e-86f34f668424_2024-06-23_04-25-00(1), gedaan op de terechtzitting van 12 januari 2026, voor zover inhoudende:
De rechtbank neemt waar dat verdachte rond 1 minuut en 42 seconden met een voorwerp uithaalt naar het slachtoffer. Rond 1 minuut en 55 seconden haalt de verdachte wederom uit met een voorwerp naar het slachtoffer. De rechtbank neemt waar dat dit harde bewegingen betreffen.
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 23 juni 2024, voor zover inhoudende (p. 10 en p. 11):
Ik, [aangever] , doe aangifte tegen de man die mij met een mes heeft neergestoken.
Op zondag 23 juni 2024, omstreeks 04.15 uur bevond ik mij in 's-Gravenhage.
Ik stond recht voor de man, ik zag dat hij met zijn rechter hand uit zijn binnen broeksband, de rechterzijde, een mes pakte en deze voor mij trok. Ik nam direct afstand van de man, ik zag dat hij bepaalde aparte bewegingen maakten. Later bleek dat er op mij was ingestoken.
Ik zag dat de man die mij gestoken had weer op mij afkwam, ik schrok ik zag nogmaals het mes.
Ik was ook meteen vervoerd door de ambulance naar het ziekenhuis, HMC-Westeinde in 's-Gravenhage. Daar hoorde ik dat ik drie (3) messteken in mijn lichaam heb gehad van de dienstdoende verplegers en artsen. Eén messteek in mijn linkerborst boven mij tepel ter hoogte van mijn oksel, messteek twee in mijn rechterschouderblad en de derde messteek aan de binnenkant van mijn linkerduim.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 juni 2024, voor zover inhoudende (p. 42):
Ik zie rechtsboven in beeld een datum en tijdsnotatie: "23-06-2024 03:33:34".
Ik zie dat persoon 1 al struikelend in beeld komt. Ik zie dat persoon 2 achter persoon 1 aan zit. Ik zie dat persoon 2 een zwaaiende beweging maakt met zijn rechterhand richting persoon 1. Ik zie dat persoon 1 naar de grond valt, achter een personenauto. Ik zie dat persoon 2 enkele stappen doorloopt. Ik zie dat persoon 1 vervolgens weer van achter de auto opstaat. Ik zie dat de afstand tussen persoon 1 en persoon 2 ongeveer 3 armlengtes is. Ik zie dat persoon 2 op persoon 1 afloopt en wederom met zijn rechterarm een zwaaiende, bovenhandse beweging maakt richting persoon 1. Ik zie dat er, tijdens het zwaaien, iets glimt in de rechterhand van persoon 2. Ik zie dat persoon 2 vervolgens met zijn linkerarm een zijwaartse beweging maakt richting persoon 1.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 juni 2024, voor zover inhoudende (p. 45 en p. 46):
Ik zag dat het tweede camerastandpunt 8542_Laan_Boterstraat heette. Ik zag dat dit camerapunt gericht stond op de Laan, gezien vanaf de Boterstraat, in de richting van het Esso tankstation. Ik zag dat de verdachte hierna een voorwerp uit zijn linker jaszak haalde. Ik zag dat de verdachte dit voorwerp van zijn linkerhand overgaf aan zijn rechterhand. Ik zag dat de verdachte hiermee een stekende beweging, van rechtsboven naar linksonder, maakte. Ik zag dat man 1 weg deinsde van deze stekende beweging en naar achteren stapte. Ik zag dat man 1 over een fiets, die daar geparkeerd stond, viel. Ik zag dat de verdachte achter man 1 aan liep met het voorwerp in zijn rechterhand. Ik zag dat man 1 met een versnelde pas weg wilde rennen. Ik zag dat de verdachte aan het shirt van man 1 trok en het shirt vasthield. Ik zag dat man 1 en de verdachte tegenover elkaar stonden. Ik zag dat de verdachte een stap naar man 1 zette en met een stekende beweging, van rechtsboven naar linksonder, man 1 raakt. Ik zag dat de verdachte vervolgens met zijn linkerhand een stekende beweging, ditmaal horizontaal van links naar rechts, in de richting van man 1 maakte.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 49-53):
Ik zie dat de verdachte richting het slachtoffer loopt en dat de verdachte
achteruit loopt. Hier komt het slachtoffer ten val doordat hij over een fiets heen
valt. Ik zie dat de verdachte in de richting blijft lopen van het slachtoffer.
Vervolgens zie ik dat het slachtoffer op staat, zich omdraait en wegloopt richting de
Grote Markt. Ik zie dat de verdachte achter het slachtoffer aan blijft lopen en zijn
rechterarm omhoog houdt. Ik zie dat hij in zijn rechterhand een klein voorwerp vast heeft. Ik zie dat zijn hand gebald is en zie dat hij een klein voorwerp vastheeft en een stekende beweging maakt richting de rug van het slachtoffer. Ik zie vervolgens op het beeld dat de verdachte een rennende beweging maakt, nog steeds in de richting van de Grote Markt, en zie dat de verdachte meerdere 'stekende' bewegingen maakt richting het slachtoffer.
Van de bevindingen zijn screenshots gemaakt en zal ik bijvoegen aan dit
proces-verbaal.
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 juni 2024, voor zover inhoudende (p. 62):
Ondergenoemde verdachte werd aangehouden nadat hij een persoon met een mes had gestoken.
Ik zag dat het wapen, een zakmes, als het was opengeklapt een lengte had van ongeveer 19 centimeter. Ik zag dat het zakmes op het lemmet voorzien was van de tekst "Joker, Stainless 440 Spain". Ik zag dat het handvat van het zakmes van hout was gemaakt en dat het was voorzien van een scherpe punt. Ik zag en voelde dat het zakmes geslepen was.
Verdachte
Achternaam: [achternaam verdachte]
Voornamen: [voornaam verdachte]
8. Het deskundigenverslag, op 1 oktober 2025 opgemaakt en ondertekend door H.N.J.M. van Venrooij, deskundige op het gebied van forensisch medisch onderzoek, voor zover inhoudende (
ongenummerd):
Overwegingen betreffende de gevaarzetting van steken in de borstkas.
In dit verband wordt opgemerkt dat steken met een hard, puntig en relatief lang, smal en eventueel scherprandig voorwerp, zoals bijvoorbeeld een mes, links aan de voorzijde van de borstkas ter plaatse van de grote borstspier en rechts op de rug ter plaatse van de monnikskapspier, zoals vermeld in de medische informatie, een aanmerkelijk risico impliceert op het daardoor optreden van ernstige en mogelijk dodelijke verwikkelingen.
Deze kunnen zich acuut voordoen in de vorm van uitgebreid, moeilijk te stelpen bloedverlies uit in de directe nabijheid van de steekkanalen gelegen organen en structuren zoals grote (slag)aders, het hart(zakje), de longen en/of de (linker)nier. Dergelijk acuut groot bloedverlies kan leiden tot levensbedreigende uitval van de bloedsomloop.
Daarnaast impliceert het toebrengen van een steekverwonding vanaf de voorzijde van de borstkas of vanaf de rug tot in de borstholte een aanmerkelijk risico op het beperking van de ademhalingsfunctie en van de pompfunctie van het hart, en daarmee van de bloedsomloop.
Behalve de boven beschreven acute complicaties van steekverwondingen kunnen zich op langere termijn verwikkelingen voordoen in de vorm van infecties met micro-organismen en andere verontreinigingen die via dergelijke steekkanalen in het lichaam gebracht kunnen worden. Afhankelijk van de aard en de locatie van een dergelijke infectie zijn plaatselijke verwikkelingen, eventueel met een meer gegeneraliseerd en levensbedreigend beloof ('sepsis cq bloedvergiftiging), mogelijk.
Welk letsel is geconstateerd bij slachtoffer op datum?
Bij lichamelijk onderzoek aangevuld met radiologisch onderzoek van [aangever] op 23-6-2024 door de afdeling Traumachirurgie op de Spoedeisende Hulp (SEH) van het Haaglanden MC werden drie snij-/steekletsels vastgesteld:
1. Een steekverwonding links aan de voorzijde van de borstkas ter plaatse van de grote borstspier met een lengte van circa 3 cm.
Bij radiologisch onderzoek werd in relatie met dit letsel de aanwezigheid van lucht/gas tot in die spier waargenomen met tevens lekkage van contrastvloeistof in de onderhuidse weefsels.
Tijdens de chirurgische behandeling werd plaatselijk een kleine slagaderlijke bloeding aangetroffen die werd onderbonden.
De verwonding werd vervolgens met zeven huidhechtingen gesloten.
2. Een oppervlakkige steekverwonding rechts op de rug ter plaatse van de monnikskapspier met een lengte van circa 2 cm.
Bij radiologisch onderzoek werd in relatie met dit letsel de aanwezigheid van lucht/gas tot in die spier waargenomen.
Deze verwonding werd met drie huidhechtingen gesloten.
3. Een snij-/steekverwonding aan de buigzijde van het basisgewricht van de linkerduim met iets verminderd vermogen tot buigen en zijwaarts bewegen van de duim. Deze verwonding werd met vijf huidhechtingen gesloten.
3.4.
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Hiertoe heeft zij aangedragen dat de verdachte slechts het mes gebruikte om het slachtoffer op afstand te houden en dat geen sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood.
De rechtbank overweegt dat het strafdossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat de verdachte vol opzet had op de dood van het slachtoffer. De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op dit gevolg.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank stelt op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat de verdachte na een confrontatie met de aangever, waarbij de aangever hem in zijn gezicht heeft geslagen, een mes heeft getrokken. Vervolgens heeft de verdachte, zo blijkt uit de camerabeelden, herhaaldelijk met kracht en intensiteit zwaaiende bewegingen gemaakt met het mes in de richting van de romp – waar zich vitale organen bevinden – van de aangever. De aangever moest achteruit springen voor de zwaaiende bewegingen die in zijn richting werden gemaakt, waarbij hij tweemaal op de grond is gevallen. De aangever heeft drie steekwonden opgelopen, te weten in zijn borst, zijn rug en in zijn linkerduim. Uit de rapportage van het NFI volgt dat bij steekwonden in de borst en in de rug, op de locaties waar de aangever is geraakt, sprake is van een aanmerkelijk risico op het daardoor optreden van ernstige en mogelijk dodelijke verwikkelingen. De rechtbank hecht ook betekenis aan de grootte van het mes, dat het mes geslepen was en een scherpe punt had.
De rechtbank is van oordeel dat onder bovengenoemde omstandigheden de kans aanmerkelijk is te noemen dat het mes het lichaam van het slachtoffer binnendringt en daarbij vitale organen raakt, waardoor de dood kan intreden.
Het handelen van de verdachte was bovendien naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop willens en wetens heeft aanvaard. Van contra-indicaties hiervan is niet gebleken.
De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel heeft aanvaard. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 23 juni 2024 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, in de borst en de rug en de hand, van die [aangever] , heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

5.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, primair wegens een beroep op noodweerexces, subsidiair wegens een beroep op psychische overmacht.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een noodweersituatie dan wel psychische overmacht en de verdachte strafbaar is.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte strafbaar is en overweegt daartoe als volgt.
Noodweerexces
Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is allereerst een noodweersituatie vereist.
Hiervoor dient sprake te zijn van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waartegen de verdachte zich moest verdedigen.
De raadsvrouw heeft bepleit dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte nu door de aangever als eerste geweld werd gebruikt, bestaande uit een kopstoot en een klap in het gezicht van de verdachte. Onder deze omstandigheden kon van de verdachte redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij zich aan de situatie zou onttrekken.
De rechtbank overweegt dat uit het dossier volgt dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte, aangezien hij werd geslagen in zijn gezicht door de aangever. Anders dan de verdediging heeft bepleit, was vervolgens echter geen sprake van een noodzakelijke verdediging die geboden was. Uit de camerabeelden volgt dat de verdachte, nadat het geweld tegen hem heeft plaatsgevonden, een moment wachtte voordat hij het mes uit zijn broek haalde en vervolgens daarmee uithaalde naar de aangever. Daar komt bij dat de aangever naar achteren was gestapt en dat onder de gegeven omstandigheden voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid bestond zich aan de situatie te onttrekken, terwijl dit ook van de verdachte kon worden gevergd. Verder overweegt de rechtbank dat de handelingen van de verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm, vanaf het moment dat hij het mes uit zijn broek haalde, aanvallend van aard waren. Dit sluit aan bij de verklaring van de verdachte op de terechtzitting dat hij het gevoel had dat hij voor schut was gezet door de aangever en (mede) daarom het mes heeft gepakt en heeft uitgehaald. Deze verklaring en de aanvallende aard van de handelingen van de verdachte vallen naar het oordeel van de rechtbank moeilijk te rijmen met een noodweersituatie.
Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Het verweer wordt verworpen.
Psychische overmacht
Door de verdediging is een beroep gedaan op psychische overmacht. De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte onderhevig is geweest aan een drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Deze drang werd veroorzaakt door de psychische toestand die de aanval van de aangever bij de verdachte teweegbracht en zijn beperkte mentale vermogens.
De rechtbank stelt voorop dat aan een beroep op psychische overmacht zeer hoge eisen worden gesteld. Van psychische overmacht is enkel sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Daarbij geldt dat de reactie op genoemde drang dient te voldoen aan de regulerende beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, mede in aanmerking genomen de ernst van het strafbare feit.
De rechtbank overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden, aangezien deze drang door de verdediging grotendeels wordt beargumenteerd aan de hand van een innerlijke drang bij de verdachte veroorzaakt door zijn psychische problematiek. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw dat sprake zou zijn van psychische overmacht.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan hem daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met een bevel tot een verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) wordt opgelegd. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (hierna: gvm) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht, indien de verdachte wordt veroordeeld en hij strafbaar wordt geacht, de feiten hem slechts in zeer geringe mate toe te rekenen. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht de verdachte te plaatsen in een SGLVB-setting en de onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk te stellen aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag door herhaaldelijk met een mes zwaaiende bewegingen te maken in de richting van de heer [aangever] , waarbij [aangever] is geraakt in zijn borst, zijn rug en in zijn linker duim. De verwondingen in de borst en de rug hadden levensbedreigend kunnen zijn. Met zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Dat de aangever geen levensbedreigend letsel heeft opgelopen, is een gelukkige omstandigheid. Dat is echter niet het gevolg is van het handelen van de verdachte zelf. Uit de slachtofferverklaring van [aangever] volgt dat de gedragingen van de verdachte diepe mentale sporen bij hem hebben achtergelaten, terwijl uit de overgelegde medische informatie blijkt van blijvende lichamelijke littekens.
Het feit heeft zich bovendien afgespeeld in de openbaarheid, namelijk bij een tankstation in de binnenstad van Den Haag waar op dat moment veel omstanders aanwezig waren. Het handelen van de verdachte heeft daarmee bijgedragen aan de gevoelens van onveiligheid en onrust van mensen in een uitgaansgebied.
Aan dit alles kent de rechtbank bij haar strafoplegging zwaarwegende betekenis toe.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 mei 2025, waaruit volgt dat de verdachte meermaals is veroordeeld voor strafbare feiten waaronder vermogensdelicten en misdrijven tegen het openbaar gezag.
Persoon van de verdachte
- Pro Justitia-rapportage
De rechtbank heeft allereerst kennis genomen van het Pro Justitia-rapport van 24 oktober 2024, opgesteld door psychiater dr. J. van der Meer, waaruit volgt dat bij de verdachte sprake is van stoornissen in het gebruik van opioïden (matig), alcohol (ernstig) en cocaïne (ernstig). Blijkens de rapportage waren deze stoornissen ook ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig. Doordat de verdachte slechts beperkt heeft meegewerkt aan het onderzoek, kon geen uitspraak worden gedaan over het bestaan van persoonlijkheidsproblematiek en een psychotische stoornis. Indien sprake zou zijn van dergelijke problematiek dan wel stoornis, is het waarschijnlijk dat deze ook ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig is geweest.
- Observatie in het Pieter Baan centrum
De beperkte medewerking van de verdachte aan het psychiatrisch onderzoek heeft ertoe geleid dat hij, na een bevel daartoe van de rechtbank, ter observatie opgenomen is geweest in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) en is onderzocht door een multidisciplinair team. Dit heeft geresulteerd in een Pro Justitia rapport (hierna: PBC-rapport) van 22 september 2025, ondertekend door K.M. ten Brinck (GZ-psycholoog) en C. Klaassen (psychiater).
Uit het PBC-rapport volgt dat de verdachte ook beperkt heeft meegewerkt aan dit onderzoek, hetgeen volgens de onderzoekers samenhangt met de aanwezige psychopathologie. Wel hebben de deskundigen bij de verdachte een matig tot licht verstandelijke beperking kunnen vaststellen. Ook volgt uit het rapport dat bij de verdachte sprake is van een ernstige stoornis in het gebruik van meerdere middelen. Zowel zijn verstandelijke beperking als de stoornis in het middelengebruik waren volgens de deskundigen aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.
De deskundigen stellen samenvattend dat de verdachte naar voren komt als een
man met een matig tot licht verstandelijke beperking die in sociaal en emotioneel opzicht op een heel jong, kinderlijk niveau functioneert en dat daarnaast sprake is van een lang bestaande en ernstige stoornis in het gebruik van meerdere middelen (cannabis, cocaïne, heroïne/methadon, alcohol) en van veel antisociaal gedrag.
Over een eventuele ontwikkelings- of persoonlijkheidsstoornis kan door de deskundigen geen uitspraak worden gedaan wegens het ontbreken van informatie. Zij concluderen in beschrijvende zin dat bij de verdachte sprake is van veel antisociaal gedrag en hij op vrijwel alle levensgebieden zeer slecht functioneert. De verdachte is volgens de onderzoekers niet in staat gezonde intermenselijke relaties aan te gaan, hij is slechts gericht op directe behoefte bevrediging, begrijpt niet wat er om hem heen gebeurt en kan niet adequaat reageren op wat er gebeurt. Verder kan de verdachte blijkens het rapport zijn eigen gedrag en dat van anderen niet begrijpen als functie van gedachten, gevoelens en motieven (mentaliseren). Ook heeft hij geen inzicht in zijn eigen functioneren, heeft hij een beperkte gewetensfunctie, voelt hij geen schuld of schaamte en is hij impulsief als het gaat om zijn behoeftebevrediging. Ook wordt gerapporteerd dat de verdachte niet kan plannen en organiseren en dat hij niet in staat is goed voor zichzelf te zorgen.
Uit het rapport volgt ook dat de verdachte in het verleden de diagnose PTSS heeft gehad. Het is de onderzoekers echter niet duidelijk geworden of hij hiervoor is behandeld en op welke traumatische ervaringen de PTSS zag. Tijdens het onderzoek in het PBC heeft de verdachte ontkent PTSS klachten te hebben en heeft hij op de onderzoekers geen angstige of gespannen indruk gemaakt. Ook zou in het verleden sprake zijn geweest van het ervaren van auditieve hallucinaties door de verdachte. Uit de rapportage volgt dat in het huidige onderzoek geen psychotische fenomenen konden waargenomen, maar ook niet konden worden uitgesloten. Opgemerkt wordt dat de verdachte wel antipsychotica gebruikt.
Doordat de verdachte niet heeft meegewerkt tijdens het onderzoek in het PBC, hebben de deskundigen geen uitspraken kunnen doen over de doorwerking van zijn psychische stoornissen in het bewezenverklaarde. Ook hebben zij geen uitspraak kunnen doen over de mate van toerekening van de poging doodslag aan de verdachte. Wel hebben de deskundigen een algemeen risico op recidive bij de verdachte kunnen bepalen. De deskundigen van het PBC schatten het risico op geweld op de korte termijn in als matig tot hoog en op de langere termijn als hoog, waarbij sprake kan zijn van het toebrengen van ernstig lichamelijk letsel. Hiertoe wordt in de rapportage opgemerkt dat geen beschermende factoren worden gezien in de persoonlijkheid of het functioneren van de verdachte.
De deskundigen hebben geen gefundeerd advies kunnen geven omtrent interventies die het recidivegevaar kunnen beperken wegens een gebrek aan informatie. Wel concluderen de deskundigen in het algemeen dat de verdachte niet in staat is zonder ‘hand-in-hand’ begeleiding een gereguleerd leven te leiden en dat zij vanuit zorg de rechtbank ter overweging meegeven dat plaatsing in een SGLVB-setting zeer wenselijk wordt geacht voor het verkrijgen en behouden van structuur in het leven van de verdachte.
- Reclasseringsrapport
De rechtbank heeft tot slot kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 19 december 2025, alsook van de toelichting daarop van de reclasseringsmedewerker op de terechtzitting. De reclassering schat het risico op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden in als hoog. Om deze reden wordt het kader van een tbs met voorwaarden niet haalbaar geacht. Een behandeling in een hoog beveiligde forensische setting wordt door de reclassering noodzakelijk geacht om het recidiverisico te beïnvloeden. De reclassering adviseert positief over het opleggen van een gvm, nu dit de mogelijkheid biedt van een forensisch vangnet tijdens de resocialisatie van de verdachte. Op de terechtzitting heeft de reclasseringsmedewerker toegelicht dat het opleggen van de gvm in combinatie met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf echter niet afdoende zal zijn voor de verdachte, aangezien hij voor een langere periode behandeling nodig heeft om op een goede manier terug te keren in de maatschappij.
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank volgt de conclusies uit de Pro Justitia- en PBC-rapportages voor wat betreft de bij de verdachte vastgestelde stoornis in het middelengebruik, de matig tot licht verstandelijke beperking en het antisociale gedrag. Hoewel de deskundigen geen uitspraak hebben kunnen doen over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, overweegt de rechtbank dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde verminderd toerekeningsvatbaar was, gelet op het volgende. Allereerst volgt uit het bloedonderzoek wat is afgenomen na de aanhouding van de verdachte, dat hij zowel alcohol als cocaïne had gebruikt ten tijde van het delict, hetgeen de verdachte ook heeft bevestigd op de terechtzitting. Verder heeft de verdachte op de terechtzitting over de beweegredenen van zijn handelen onder andere verklaard dat hij angst voelde dat het slachtoffer hem voor schut had gezet voor de aanwezige omstanders. Ook benoemde hij meermaals dat de situatie erg snel verliep en hij zich achteraf afvraagt waarom hij heeft gehandeld zoals hij heeft gedaan. Tot slot heeft de verdachte ook op de zitting verklaard ondanks zijn stoornissen geen grote problemen in zijn leven te zien. De rechtbank acht de verklaringen van de verdachte alsook zijn gedrag ten tijde van het delict, passend bij de vaststellingen van de deskundigen voor wat betreft de aanwezige stoornissen en de licht verstandelijke beperking. Om die reden acht de rechtbank het zeer waarschijnlijk dat alle door de deskundigen geconstateerde problematiek van de verdachte ook aanwezig was ten tijde van het bewezenverklaarde en zijn gedragskeuzes en gedragingen op dat moment heeft beïnvloed. Het tenlastegelegde zal in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend.
Tbs met dwangverpleging
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat in verband met de ernst van het feit en de ernstige problematiek van de verdachte, ter bescherming van de maatschappij de oplegging van de tbs met dwangverpleging noodzakelijk is om het recidiverisico van de verdachte te kunnen verminderen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit doel alleen bereikt worden middels een langdurige klinische behandeling in een voldoende beveiligde omgeving van een forensische kliniek. De rechtbank verenigt zich met het advies van de reclassering dat een tbs met voorwaarden hiertoe onvoldoende kader biedt.
De rechtbank stelt vast dat aan de formele vereisten voor het opleggen van de maatregel van tbs is voldaan. Het bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf waarvoor op grond van artikel 37a, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht oplegging van tbs mogelijk is. Voorts is vastgesteld dat tijdens het begaan van het bewezen verklaarde feit bij de verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Tot slot vereist de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel.
Ongemaximeerde tbs
De maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betreft het onder 3.5 bewezen verklaarde feit. De maatregel kan daarom, gelet op het bepaalde in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, langer duren dan vier jaren.
De straf
Naast het opleggen van de tbs-maatregel kan, gelet op de ernst van het feit en uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij, niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor het bepalen van de duur van de gevangenisstraf houdt rechtbank rekening met de opgelegde straffen in vergelijkbare zaken alsook met de omstandigheid dat de rechtbank de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht.
De rechtbank acht, alles afwegend, een gevangenisstrafduur van 24 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
De maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking
De rechtbank ziet geen aanleiding om een gvm op te leggen, gezien de ernst en ingrijpendheid van de maatregel tbs met dwangverpleging die al wordt opgelegd. Dit kader voorziet, mede nu sprake is van een ongemaximeerde tbs maatregel, naar het oordeel van de rechtbank voldoende in de voorkoming, althans beperking van het herhalingsgevaar, zodat er op dit moment geen objectieve en te concretiseren rechtvaardiging is voor de oplegging van toezicht in het kader van de door de reclassering geadviseerde maatregel voor het geval de tbs-maatregel wordt beëindigd.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van €5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleitte vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering, aangezien de behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering af te wijzen wegens onvoldoende onderbouwing van de schade. Meest subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering in ruime mate te matigen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als het gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag, zoals door de benadeelde partij bepleit, aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal voor littekens aan andere delen van het lichaam. Naar haar oordeel passen de littekens van de benadeelde partij in de bovenste laag van de categorie ‘minder ernstige littekenvorming’, aangezien uit de vordering blijkt dat de benadeelde partij drie littekens heeft over gehouden aan het bewezenverklaarde; van de littekens op de borst en op de rug bevat de vordering ook foto’s. Ook houdt de rechtbank rekening met de leeftijd van de benadeelde partij ten tijde van het bewezenverklaarde en de ernstige verwijtbaarheid van de verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de Aanbevelingen voor de begroting van Smartengeld op basis van artikel 6:106 BW Pro van de rechtspraak. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd en de genoemde aanbevelingen, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,00, overeenkomstig hetgeen gevorderd is.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de gevorderde immateriële schade toewijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 juni 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] .

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 21 augustus 2024 gevorderd dat de bij parketnummer 09/226850-23 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 8 september 2023 voorwaardelijke opgelegde straf van één week gevangenisstraf, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarde.
Op de terechtzitting heeft de officier van justitie zijn standpunt gewijzigd en heeft hij de rechtbank verzocht de vordering af te wijzen aangezien hij de tenuitvoerlegging niet opportuun acht nu sprake is van een andersoortig feit en gelet op de door hem geëiste straf en maatregel in de hoofdzaak.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden verbonden aan het vonnis van de politierechter. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank acht tenuitvoerlegging echter niet opportuun, nu deze niet in verhouding staat met de gevangenisstraf en de tbs met dwangverpleging die aan de verdachte worden opgelegd. De rechtbank zal daarom de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
poging tot doodslag
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
24 (VIERENTWINTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast
de terbeschikkingstellingvan de verdachte en beveelt dat hij
van overheidswegezal worden verpleegd;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 5.000,00en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf
23 juni 2024tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan
[aangever];
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank op 21 augustus 2024, gewezen onder parketnummer 09/226850-23.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R. Aaron, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,
mr. C.M. Zandbergen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A. Copier, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 januari 2026.