De minister van Asiel en Migratie heeft op 28 april 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, stelde dat de maatregel niet proportioneel was en dat een lichter middel had moeten worden toegepast, aangezien hij bereid was naar Duitsland te vertrekken en nooit eerder illegaal in Nederland was geweest.
De rechtbank oordeelt dat eiser sinds 2024 in Nederland verblijft zonder zich te melden bij de autoriteiten, geen rechtmatig verblijf in Spanje kan aantonen, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Deze omstandigheden vormen volgens de rechtbank een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is en dat geen lichter middel passend is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.