Verzoekster stelde beroep in tegen een crisismaatregel opgelegd door de burgemeester wegens een manische ontregeling met onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Zij betoogde dat zij voorafgaand aan het horen met haar advocaat had moeten kunnen spreken en dat tijdens het horen onvoldoende rekening was gehouden met haar verzoeken.
De rechtbank oordeelde dat de burgemeester op goede gronden de crisismaatregel had afgegeven, gebaseerd op een medische verklaring van een onafhankelijk psychiater en dat aan de wettelijke hoorplicht was voldaan. Verzoekster had tijdens het horen haar mening kunnen geven en was beoordeeld als een cliënt die in een extra beveiligde kamer werd verpleegd, waar communicatie met derden beperkt is vanwege veiligheid en behandeling.
De rechtbank vond het aannemelijk dat het verpleegkundig personeel in redelijkheid kon besluiten verzoekster niet toe te staan direct contact met een advocaat te hebben tijdens het horen. De burgemeester hoefde de beslissing niet op te schorten tot verzoekster met een advocaat had gesproken. Verzoekster was bekend met de procedure en wist dat haar advocaat snel op de hoogte werd gesteld.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen, omdat geen onrechtmatigheid of onzorgvuldigheid was vastgesteld bij het nemen van de crisismaatregel.