Uitspraak
Omgang
Beschikking op het op 9 januari 2026 ingekomen verzoek van:
[de grootmoeder] ,
[de vader] ,
[de moeder] ,
Procedure
- het verzoekschrift;
- het F9 formulier van 28 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de grootmoeder;
- het verweerschrift;
- het F9 formulier van 10 maart 2026 van de zijde van de grootmoeder;
- het F9 formulier van 13 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de grootmoeder.
- de grootmoeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat.
Feiten
- De moeder en vader zijn gehuwd.
- Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- De minderjarige woont bij zijn ouders.
- De moeder en de vader oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.
Verzoek en verweer
- primair: waarbij de minderjarige om de week op een in een onderling overleg met de ouders te bepalen dagdeel omgang met de grootmoeder zal hebben voor een aantal uren;
- subsidiair: een omgangsregeling vast te stellen zoals de rechtbank in het belang van de minderjarige juist acht, kosten rechtens.
Beoordeling
family life’ uit artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Er is geen enkele reden om de omgang tussen haar en [de minderjarige] te belemmeren en er zijn ook geen redenen om te veronderstellen dat de omgang onder voorwaarden zou moeten plaatsvinden.
family life’ en voeren daartoe het volgende aan. Tussen de grootmoeder en [de minderjarige] heeft nooit structureel, intensief of zelfstandig contact plaatsgevonden. Alle contactmomenten waren incidenteel, kort (vaak niet langer dan een uur) en uitsluitend op initiatief van de ouders. [de minderjarige] is nu pas één jaar. In het eerste levensjaar heeft [de minderjarige] zijn grootmoeder maximaal vijftien keer gezien. Hierbij was altijd één van de ouders aanwezig vanwege de lichamelijke en/dan wel psychische gesteldheid van de grootmoeder. De ouders betwisten dat het feit dat [de minderjarige] geen contact meer heeft met de grootmoeder voor hem ingrijpend en verwarrend is. Ten tijde van de contactbreuk was [de minderjarige] zeven maanden oud en had hij niet de leeftijd om dat te beseffen. De ouders betwisten ook dat de grootmoeder in een ernstige gezondheidstoestand verkeert. De ouders erkennen het incident dat heeft plaatsgevonden in mei 2025, maar hebben een andere beleving van de gebeurtenis. Volgens de ouders vertoont de grootmoeder grensoverschrijdend gedrag jegens hen en heeft de grootmoeder geen respect voor de grenzen van de ouders. De ouders willen geen contact met de grootmoeder. De spanningen en conflicten tussen partijen zorgen voor emotionele onrust en een gevoel van onveiligheid wat zij niet in het belang van [de minderjarige] vinden.
family life’. Om te kunnen spreken van ‘
family life’ in de zin van artikel 8 EVRM Pro moet er een bijzondere band, “sufficiently close family ties” zijn tussen de grootmoeder en het kleinkind. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) legt de lat minder hoog dan de Nederlandse rechter. Volgens het EHRM is een voldoende hechte (normale) familieband tussen grootouders en kind voldoende om ‘family life’ aan te nemen. Dat recht op ‘
family life’ omvat het recht van grootouders om een normale grootouder-kleinkind relatie te onderhouden waarbij het wel in eerste instantie aan de ouders is om te bepalen of er omgang tussen grootouders en kleinkinderen plaatsvindt.