Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11820

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/701323 / JE RK 26-415
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en aanhouding machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De gecertificeerde instelling verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige en machtiging tot uithuisplaatsing vanwege ernstige zorgen over haar ontwikkeling, sociale isolatie, suïcidale gedachten en het ontbreken van passende hulpverlening thuis.

De ouders stemmen in met verlenging ondertoezichtstelling maar verzetten zich tegen uithuisplaatsing, stellende dat de problematiek onvoldoende is onderbouwd en dat minder ingrijpende middelen nog niet zijn benut. Zij ervaren moeizame communicatie met de gecertificeerde instelling en voelen zich niet serieus genomen.

De kinderrechter constateert een ernstige ontwikkelingsbedreiging, onvoldoende zicht op de situatie door het ontbreken van toegang tot de woning en het niet opstarten van noodzakelijke hulpverlening. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor een jaar.

Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt aangehouden voor drie maanden om de ouders een laatste kans te geven mee te werken aan hulpverlening. Bij uitblijven van verbetering acht de rechter uithuisplaatsing onvermijdelijk en in het belang van de minderjarige.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de zaak wordt aangehouden tot een zitting in juli 2026, waarbij een schriftelijke update wordt verlangd.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een jaar en het verzoek tot uithuisplaatsing wordt aangehouden voor drie maanden om samenwerking te bevorderen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/701323 / JE RK 26-415
Datum uitspraak: 14 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Gouda,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
beiden wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.S. Krol uit Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 maart 2026;
- het verweerschrift van de ouders, met bijlagen van 8 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader;
  • de moeder;
  • de advocaat van de ouders.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] woont bij haar ouders.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 25 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er zijn nog onverminderd grote zorgen over [de minderjarige] . Zij heeft last van gevoelens van onveiligheid, eenzaamheid en uitzichtloosheid. [de minderjarige] bevindt zich thuis in een situatie van sociale isolatie. Zij heeft last van suïcidale gedachtes en zij doet aan zelfbeschadiging. Thuis is er regelmatige sprake van heftige ruzies tussen de ouders. Families First heeft een voortzetting van individuele begeleiding voor [de minderjarige] geadviseerd. Ook heeft [de minderjarige] behoefte aan diagnostiek en systemisch werken bij FACT. De ouders vinden het lastig om hulpverlening te accepteren en hebben het idee dat de schuld van de problematiek van [de minderjarige] bij hen wordt gelegd. Zij hebben weinig vertrouwen in de betrokken hulpverleners, waardoor de systemische hulpverlening bij FACT nog niet is opgestart. De schoolgang van [de minderjarige] is niet op gang gekomen. De eerdere ondersteuning vanuit KOLB en het Passer College is stopgezet. Er staat een gesprek gepland bij het Goudse Plein over de mogelijkheden van het volgen van onderwijs daar. Het contact met de individuele coach van Next Step is stopgezet en de jeugdbeschermer krijgt geen toegang tot de woning van de ouders. Hierdoor is er geen zicht meer op de ontwikkeling van [de minderjarige] . Een voortzetting van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk om passende hulpverlening in te zetten voor [de minderjarige] en systemische hulp op te starten. Gelet op de langdurige en aanhoudende zorgen en de systeemsgebonden problematiek van [de minderjarige] , is de gecertificeerde instelling van mening dat ook een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is. In de huidige situatie bij de ouders thuis kan [de minderjarige] niet tot een positieve ontwikkeling komen.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de ouders wordt ingestemd met het verzoek tot ondertoezichtstelling. Er wordt verweer gevoerd tegen het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing. De ouders verzoeken primair om afwijzing van het verzoek en subsidiair om het verzoek voor drie maanden aan te houden. Zij stellen dat er aan de voorwaarden voor een machtiging tot uithuisplaatsing niet is voldaan, dan wel dat de gecertificeerde instelling dit onvoldoende heeft onderbouwd. De ouders stellen zich op het standpunt dat er door de gecertificeerde instelling onvoldoende ondersteuning is geboden in de thuissituatie. De ouders maken zich, net als de gecertificeerde instelling, ernstige zorgen over de schoolgang en ontwikkeling van [de minderjarige] . Zij hebben in het vrijwillig kader zelfstandig hulpverlening ingezet om [de minderjarige] weer naar school te krijgen. De ouders vinden een uithuisplaatsing nog te voorbarig, nu er nog onvoldoende zicht is op de problematiek van [de minderjarige] . De ouders herkennen zich niet in het beeld dat door de gecertificeerde instelling wordt geschetst over de thuissituatie. De ouders voelen zich niet serieus genomen wat betreft hun klachten over de betrokken jeugdbeschermer en het contact met de gecertificeerde instelling verloopt moeizaam. Ook merken de ouders op dat de doelen van de ondertoezichtstelling – en hoe deze te verwezenlijken – ontbreken in het gezinsplan. Volgens de ouders is een machtiging tot uithuisplaatsing een te ingrijpende maatregel en zijn er voor de gecertificeerde instelling minder ingrijpende middelen beschikbaar die zij nog onvoldoende hebben benut.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De kinderrechter stelt vast dat er nog altijd sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] . Er zijn grote zorgen over [de minderjarige] . [de minderjarige] gaat al tien jaar lang niet of nauwelijks naar school, zit thuis bij de ouders en komt weinig buiten. Zij bevindt zich in een situatie van sociale isolatie en haar ontwikkeling staat al jarenlang vrijwel stil. Ook zijn er ernstige zorgen over [de minderjarige] op emotioneel gebied en over de relatie tussen [de minderjarige] en haar moeder. De ouders accepteren de hulpverlening onvoldoende. De jeugdbeschermer wordt door de ouders niet tot de woning toegelaten en de geadviseerde noodzakelijke hulpverlening gericht op de problemen in het (gezins)systeem komt niet van de grond omdat de ouders zich daartegen verzetten. Het is het uitermate zorgelijk dat er momenteel geen zicht is op de ontwikkeling van [de minderjarige] en dat er geen passende hulpverlening voor haar en het gezin is. Het is noodzakelijk dat er op korte termijn wordt gestart met de inzet van hulpverlening vanuit FACT, systemische hulpverlening en diagnostiek voor [de minderjarige] . De betrokkenheid van een jeugdbeschermer is noodzakelijk om toezicht te houden en regie te voeren over de hulpverlening. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] daarom voor de duur van een jaar.
5.3.
De kinderrechter ziet aanleiding om het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing aan te houden voor de duur van drie maanden. De kinderrechter wil de ouders een laatste kans bieden om de hulpverlening die door de gecertificeerde instelling en andere deskundigen noodzakelijk wordt geacht te accepteren en daaraan mee te werken. De ouders moeten daartoe met de gecertificeerde instelling en andere hulpverleners gaan samenwerken. Er moet een keerpunt komen. Als de hulpverlening in de thuissituatie in de komende periode nog steeds onvoldoende de grond komt of deze toch niet tot verbetering van de situatie leidt, acht de kinderrechter – gelet op de ernstige en aanhoudende zorgen over [de minderjarige] – een uithuisplaatsing onvermijdelijk en het enige passende alternatief in het belang van [de minderjarige] .
5.4.
De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk
één weekvoorafgaand aan de volgende zitting een schriftelijke update te versturen, met daarin de huidige stand van zaken.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 25 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van
mr. M.F. Baaij op 16 juli 2026 om 13:00 uur;
6.4.
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de gecertificeerde instelling;
- de moeder;
- de vader;
- de advocaat van de ouders;
- [de minderjarige] , voor een kindgesprek.
6.5.
verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk
één weekvoorafgaand aan voornoemde zitting een
schriftelijke updatezoals hierboven genoemd aan de rechtbank en de belanghebbenden te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, in aanwezigheid van T.A.A. Hilhorst als griffier, en op schrift gesteld op 23 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.