ECLI:NL:RBDHA:2026:11780

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/679649 / FA RK 25-804 en C/09/689200 / FA RK 25-5698
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:81 BWArt. 1:84 BWArt. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling, kinderalimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap

Partijen zijn gehuwd sinds 2017 en hebben twee minderjarige kinderen. De rechtbank heeft op 18 juli 2025 voorlopige voorzieningen getroffen omtrent de zorgregeling en kinderalimentatie. De man verzocht de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen zoals woonplaats van de kinderen, kinderalimentatie, verdeling van de huwelijksgemeenschap en zorgregeling. De vrouw heeft eveneens verzocht om echtscheiding en aanvullende voorzieningen.

De rechtbank oordeelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en spreekt de echtscheiding uit. De hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt bij de vrouw vastgesteld. De zorgregeling wordt uitgebreid zodat de kinderen eens per twee weken van donderdag na school tot zondag 18.00 uur bij de man verblijven. Vakantieregelingen worden vastgesteld met een wisselende verdeling van de zomervakantie in even en oneven jaren.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van samenloop van onderhoudsverplichtingen voor de man, die onvoldoende draagkracht heeft om volledig aan alle verplichtingen te voldoen. De kinderalimentatie wordt vastgesteld op €388 per maand voor de twee kinderen samen. De verdeling van de huwelijksgemeenschap vindt plaats op basis van de peildatum 4 februari 2025, waarbij de vennootschap onder firma wordt toegedeeld aan de man onder de verplichting tot uitkering aan de vrouw na waardering door een onafhankelijke deskundige. De woning wordt aan de man toegedeeld met een termijn van twee maanden om financiering rond te krijgen, anders volgt verkoop. Verzoeken tot gebruiksvergoeding en verdeling van schulden worden deels afgewezen of toegelicht.

De ouders worden verwezen naar een traject ouderschapsbemiddeling. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met hoofdverblijfplaats kinderen bij vrouw, zorgregeling en kinderalimentatie vastgesteld, en huwelijksgemeenschap verdeeld met voorwaarden voor waardering vennootschap en woning.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 25-804 (echtscheiding) en FA RK 25-5698 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/679649 (echtscheiding) en C/09/689200 (verdeling)
Datum beschikking: 29 april 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 4 februari 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.F.D.P. de Milliano te Katwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J. Ottens te Noordwijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 6 februari 2025 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het verweerschrift van 14 juli 2025 van de advocaat van de vrouw;
- het bericht van 4 maart 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 4 maart 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 5 maart 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 6 maart 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.
Op 17 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [dag] 2017 te [plaats 1] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Deze rechtbank heeft op 18 juli 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, waarbij, voor zover hier van belang:
- is bepaald dat de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
- een voorlopige zorgregeling is vastgesteld, inhoudende dat de kinderen het ene weekend bij de man en het andere weekend bij de vrouw verblijven, waarbij het weekend op vrijdag uit school begint en op zondag na het avondeten, 18.30-19.00 uur, eindigt en voorts:
- dat op alle doordeweekse dagen de vrouw de kinderen naar school brengt;
- dat de man de kinderen op maandag, dinsdag en donderdag uit school ophaalt;
- dat de man [minderjarige 1] op maandag en dinsdag naar turnen brengt en [minderjarige 2] naar grootmoeder in de echtelijke woning;
- dat de man [minderjarige 1] op donderdag uit school haalt en zij tot 18.00 uur bij de man is en [minderjarige 2] op donderdag door de grootmoeder uit school wordt gehaald;
- dat op woensdag en vrijdag de vrouw de kinderen uit school haalt;
- de volgende voorlopige vakantieregeling is vastgesteld:
- de voorjaarsvakantie: de reguliere regeling loopt door;
- de meivakantie: de kinderen zijn de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;
- de zomervakantie: de kinderen zijn de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw;
- de herfstvakantie: de reguliere zorgregeling loopt door;
- de kerstvakantie: de kinderen zijn de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;
- de verjaardag van de man en Vaderdag: de kinderen zijn bij de man;
- de verjaardag van de vrouw en Moederdag: de kinderen zijn bij de vrouw;
- is bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 mei 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 174,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

De man heeft verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken met de volgende nevenvoorzieningen:
- te bepalen dat de kinderen hun woonplaats hebben bij de vrouw;
- de man te veroordelen dat hij als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 450,- per kind per maand bij vooruitbetaling aan de vrouw zal voldoen met ingang van de datum van indiening van het verzoek dan wel een datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
- te bepalen dat de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning verkrijgt tot zij een eigen woning heeft dan wel minimaal gedurende zes maanden ingaande de datum van inschrijving van de echtscheiding;
- de gemeenschap van goederen te verdelen op de volgende wijze, dan wel op een wijze door de rechtbank in goede justitie te bepalen:
- de onderneming van de man, te weten zijn aandeel in de vennootschap onder firma [bedrijf] te [plaats 2] toe te delen aan de man onder de verplichting 50% van de door een nader te bepalen accountant vast te stellen waarde uit te keren aan de vrouw;
- de woning aan het [adres 1] toe te delen aan de man onder de verplichting alle daarop rustende hypothecaire leningen voor zijn rekening te nemen en onder de verplichting 50% van de overwaarde uit te keren aan de vrouw en, indien binnen twee maanden de man de financiering niet rond heeft, te bepalen dat partijen hun medewerking moeten verlenen aan het in de verkoop zetten van de woning;
- te bepalen dat de saldi van alle bankrekeningen bij helfte gedeeld dienen te worden;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het verzoek met betrekking tot de verdeling van de bankrekeningen. De man heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man aanvullend verzocht:
- te bepalen dat de man de woning over kan nemen binnen een termijn van drie
maanden te rekenen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
- te bepalen dat de schuld van € 50.000,- aan de ouders van de man bij helfte gedeeld
wordt;
- te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding
voldoet van € 116,- per kind per maand, dan wel een bijdrage in goede justitie te bepalen, vanaf de datum van de beschikking;
- te bepalen dat de kinderen in de reguliere schoolweken, op maandag, dinsdag en eens per twee weken op donderdag uit school tot 19.00 uur bij de man verblijven;
- te bepalen dat de kinderen eens per twee weken van donderdag uit school tot
zondag 19.00 uur bij de man zijn;
- te bepalen dat de kinderen in de meivakantie de eerste week, te rekenen vanaf
donderdag voorafgaand aan de vakantie tot zaterdag, een week later, 12.00 uur bij de man verblijven;
- te bepalen dat de kinderen in de zomervakantie vanaf vrijdag uit school tot
zaterdag 12.00 uur drie weken later bij de man verblijven;
- te bepalen dat de kinderen in de kerstvakantie de eerste week uit school tot zaterdag een week later 12.00 uur bij de man verblijven.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De vrouw heeft – aanvullend en in zoverre met wijziging van haar eerdere verzoeken – verzocht:
- de volgende zorgregeling vast te stellen:
- de kinderen zijn in de even weekenden bij de man;
- de kinderen zijn op doordeweekse dagen en in de oneven weekenden bij de vrouw;
- de volgende vakantieregeling vast te stellen:
- voorjaarsvakantie en herfstvakantie: de gewone regeling;
- meivakantie: eerste week bij de man en tweede week bij de vrouw;
- zomervakantie: eerste drie weken bij de man en tweede drie weken bij de vrouw;
- kerstvakantie: eerste week bij de man en tweede week bij de vrouw;
- verjaardag van de man en Vaderdag: bij de man;
- verjaardag van de vrouw en Moederdag: bij de vrouw;
- Tweede Kerstdag, Tweede Paasdag en Tweede Pinksterdag: bij de vrouw;
- onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de kinderen niet zonder de man zijn ouders zullen bezoeken dan wel daar logeren;
- te bepalen dat de gemeenschappelijke woning binnen twee weken na de beschikking verkocht dient te worden waarbij de opbrengst na aftrek van de hypothecaire lening bij Nationale Nederlanden en na aftrek van makelaarskosten bij helfte gedeeld dient te worden;
- te bepalen dat de man aan de vrouw een vergoeding verschuldigd is voor het gebruik van de gezamenlijke woning van € 573,53 per maand, zijnde de helft van de hypotheeklasten per maand, plus een bedrag van € 1.000,- per maand zijnde de helft van een redelijke vergoeding die de man van zijn ouders voor het gebruik van de woning zou kunnen ontvangen;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man heeft – aanvullend en in zoverre met wijziging van zijn eerdere verzoeken – verzocht:
- te bepalen dat de kinderen in de reguliere schoolweken, op maandag, dinsdag en
eens per twee weken op donderdag uit school tot 18.00 uur bij de man verblijven;
- te bepalen dat de kinderen eens per twee weken van donderdag uit school tot zondag
18
uur bij de man zijn;
- te bepalen dat de schuld aan de ouders van de man, aangegaan ten behoeve van de aanschaf van de echtelijke woning, bij helfte wordt gedeeld;
- te bepalen dat de kinderen in de even jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vrouw verblijven en de laatste drie weken bij de man. In de oneven jaren is dit andersom;
- te bepalen dat de kinderen Eerste Kerstdag bij de man zijn, te rekenen van 24 december 17.00 uur tot 26 december 10.00 uur;
- te bepalen dat de aanslagen IB 2024, € 14.558,-, bij helfte gedeeld moeten worden;
- te bepalen dat het aandeel van de man in de V.O.F. [bedrijf] te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , aan hem wordt toebedeeld tegen een door een financieel deskundige vast te stellen waarde met de bepaling dat de man de helft van een positieve waarde aan de vrouw dient te voldoen en dat de vrouw de helft van een negatieve waarde aan de man dient te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Beoordeling

Echtscheiding
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit erkend en heeft eveneens verzocht om de echtscheiding uit te spreken, zodat de verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
De vrouw heeft verzocht om de woonplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De rechtbank begrijpt het verzoek in die zin dat de vrouw heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man heeft zich niet verzet tegen het verzoek. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepalen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Juridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van sub a van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen. Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van voornoemd artikel, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Overwegingen rechtbank
De man wil, in afwijking van de regeling die in de voorlopige voorzieningenprocedure is bepaald, dat de kinderen eens per twee weken van donderdag uit school tot zondag 18.00 uur bij hem verblijven. De vrouw heeft zich hiertegen verzet. Zij heeft aangevoerd dat de man zelf niet thuis is op donderdagavond en de kinderen dan bij zijn nieuwe partner verblijven. De vrouw ziet deze uitbreiding van de reguliere zorgregeling daarom niet als toegevoegde waarde voor de kinderen. Ook heeft de vrouw aangegeven dat de man een groot deel van de zorg voor de kinderen overlaat aan zijn ouders. In dat kader heeft de vrouw gesteld dat het niet verantwoord is om de kinderen bij de ouders van de man te laten overnachten, nu de opa in het verleden ontucht heeft gepleegd met [minderjarige 1] . De vrouw heeft toegelicht dat met Veilig Thuis een vierogen-principe is afgesproken, wat volgens de vrouw meebrengt dat er altijd twee andere volwassenen aanwezig moeten zijn als de kinderen bij de opa verblijven. De vrouw heeft gesteld dat de man en zijn ouders zich niet houden aan het vierogen-principe. Dit acht de vrouw niet in het belang van de kinderen.
De rechtbank overweegt dat de man op dit moment in [plaats 3] woont en de vrouw in [plaats 2] woont. In de voorlopige voorzieningenprocedure is met de afstand tussen de woning van de man en vrouw rekening gehouden en is opgenomen dat de oma van de zijde van de man een rol vervulde in de zorgregeling. In deze procedure gaat de rechtbank ervan uit dat de man de voormalige echtelijke woning in [plaats 2] op korte termijn zal betrekken. De man heeft dit toegezegd en de woning staat leeg na het recente vertrek van de ouders van de man uit de woning. Op de zitting heeft de man gesteld dat hij dan in staat zal zijn om de zorg voor de kinderen zelf op zich te nemen en deze niet meer aan zijn ouders over zal laten, omdat hij dan minder reistijd zal hebben. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij voor een mogelijke overbruggingsperiode tussen datum beschikking en feitelijke verhuizing, voldoende tijd kan vrijmaken om zelf de zorg voor de kinderen te dragen overeenkomstig de door hem gevraagde zorgregeling. De rechtbank gaat ervan uit dat de man deze toezegging zal nakomen. De rechtbank overweegt dat de oma daarom niet meer hoeft te opgenomen in de zorgregeling. Gelet hierop gaat de rechtbank ook voorbij aan de stellingen van de vrouw ten aanzien van het vierogen-principe dat vanwege de opa moet worden gehanteerd. In dit kader overweegt de rechtbank dat zij ervan uitgaat dat alle partijen het vierogen-principe in acht nemen als de kinderen – in zoverre in afwijking van de zorgregeling – bij de opa verblijven. De rechtbank merkt op dat het vierogen-principe betekent dat er altijd één andere volwassene aanwezig moet zijn als de kinderen bij de opa verblijven. De rechtbank merkt op dat uit het kindgesprek is gebleken dat [minderjarige 1] graag leuke dingen wil doen met [naam 2] , de dochter van de man en zijn nieuwe partner, en de twee kinderen van de partner van de man. Gelet op het voorgaande en nu de rechtbank dit in het belang van de kinderen acht, zal de rechtbank conform het verzoek van de man de reguliere zorgregeling uitbreiden en bepalen dat de kinderen van donderdag uit school tot zondag 18.00 uur de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijven. Voor het overige zal de rechtbank de beslissing in de voorlopige voorzieningenprocedure volgen. Dat wil zeggen dat de man de kinderen iedere maandag en dinsdag en donderdag om de week uit school ophaalt en ’s avonds weer terugbrengt bij de vrouw, om 18.30 uur tenzij een ander tijdstip wordt afgesproken.
Ten aanzien van de vakanties en feestdagen overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is in geschil hoe de zomervakantie moet worden verdeeld. De rechtbank zal bepalen dat de kinderen in de even jaren de eerste drie weken bij de man zijn en de laatste drie weken bij de vrouw en de kinderen in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vrouw zijn en de laatste drie weken bij de man. Voor de overige vakanties is niet gebleken dat de ouders zich hebben verzet tegen de verdeling zoals in de voorlopige voorzieningenprocedure is bepaald. Daarom zal de rechtbank voor die vakanties dienovereenkomstig beslissen.
De rechtbank zal de reguliere zorgregeling en regeling ten aanzien van de vakanties en feestdagen vaststellen als na te melden. Het meer of anders verzochte te dien aanzien zal de rechtbank afwijzen.
Ouderschapsbemiddeling
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Jeugdteams [regio] voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal een kennisgeving van deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams [regio] . De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Samenloop van onderhoudsverplichtingen
Er is sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De man is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onderhoudsplichtig, maar ook voor [naam 2] , zijn kind met zijn nieuwe partner. Bij een dergelijke samenloop van onderhoudsverplichtingen moet de rechtbank beoordelen of de man in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. De onderhoudsplicht voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is van gelijke rang als die voor [naam 2] .
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW Pro een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
Nu er in de voorlopige voorzieningenprocedure een voorlopige bijdrage is bepaald, zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking.
Gezin 1: man en vrouw met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Partijen zijn het erover eens dat kan worden aangesloten bij de behoefte zoals bepaald in de voorlopige voorzieningenprocedure en de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2025 aldus € 840,- per kind per maand bedroeg, zijnde € 1.680,- in totaal. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 1.757,-, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 1.839,- bruto per vier weken en 8% vakantietoeslag, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificatie over periode 3 van 2026. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremies van € 98,- per maand.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 8.576,-.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.768,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 401,- per maand, te weten
70% x [2.768 - (0,3 x 2.768 + 1.365)].
Draagkracht man
De rechtbank gaat voor de bepaling van de draagkracht van de man conform het rapport uit van een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023, 2024 en 2025. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende winst in:
2023: € 135.107,-
2024: € 162.404,-
2025: € 115.880,-
De onderneming wordt voor 50% voor rekening van de man gedreven. De gemiddelde winst van de man bedraagt dan € 68.899,- per jaar.
De rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
De rechtbank berekent het NBI van de man op € 4.162,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 1.084,- per maand, te weten
70% x [4.162 - (0,3 x 4.162 + 1.365)].
Gezamenlijke draagkracht en zorgkorting
Gelet op de zorgregeling vindt de rechtbank het redelijk om voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een zorgkorting van 35% toe te passen. De zorgkorting bedraagt € 615,- (35% van € 1.757,-).
De gezamenlijke draagkracht van de ouders is € 1.485,- per maand (€ 401,- + € 1.084,-). Dit is onvoldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. Er is een tekort van € 272,- (€ 401,- + € 1.084,- - € 1.757,-). De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Partijen zullen maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dus gelijk aan zijn draagkracht.
Gezin 2: de man met zijn nieuwe partner en [naam 2]
Behoefte [naam 2]
Nu partijen zich niet hebben verzet tegen de in de voorlopige voorzieningenprocedure vastgestelde behoefte van [naam 2] van € 948,- per maand in 2025, zal de rechtbank daarvan uitgaan. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [naam 2] € 992,-.
Draagkracht man
De draagkracht van de man bedraagt hetzelfde als in het gezin met de vrouw en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , te weten € 1.084,- per maand.
Draagkracht nieuwe partner van de man
Voor de berekening van de draagkracht van de partner van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 2.669,- bruto per maand en 8% vakantietoeslag, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificatie van februari 2026. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremies van € 55,- per maand en een pensioenuitkering van € 42,- per maand.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent de rechtbank het NBI van de partner van de man op € 2.784,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de partner van de man bedraagt volgens de formule € 409,- per maand, te weten 70% x [2.784 - (0,3 x 2.784 + 1.365)].
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van de man en zijn partner bedraagt gezamenlijk € 1.493,- per maand (€ 1.084,- + € 409,-). Dit is voldoende om volledig in de behoefte van [naam 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.084 / 1.493 x 992 = € 720,-
Het eigen aandeel van de partner van de man bedraagt: 409 / 1.493 x 992 = € 272,-
samen € 992,-
Van de behoefte van [naam 2] komt een gedeelte van € 720,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 272,- komt voor rekening van de partner van de man.
Vergelijking gezin 1 en gezin 2
Gelet op het voorgaande dient de man voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 1.084,- per maand bij te dragen en voor [naam 2] € 720,- per maand. Samen is dit € 1.804,- per maand. De man heeft echter maar een draagkracht van € 1.084,- per maand; onvoldoende om in de onderhoudsverplichting voor de drie kinderen te voorzien. Er is een tekort van € 720,- per maand. Dit tekort aan draagkracht van de man zal naar rato over de hiervoor berekende aandelen worden verdeeld.
De man kan maar € 1.084,- van het benodigde € 1.804,- aan aandeel voor de drie kinderen bijdragen. Percentueel is dit afgerond 60% (€ 1.084,- / € 1.804,- x 100). Voor ieder kind is derhalve slechts 60% van het aandeel van de man beschikbaar.
Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt 60% van het benodigde aandeel afgerond € 650,- (60% x € 1.084,-) en voor [naam 2] bedraagt dit € 432,- per maand (60% x € 720,-).
Zorgkorting
De zorgkorting voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , hiervoor berekend op € 615,- kan de man ten dele verzilveren. Als gevolg van de verdeling van de draagkracht van de man over drie kinderen is het tekort in de gezamenlijke draagkracht van de ouders toegenomen tot [€ 1757 – (€ 401 + € 650)] = € 706,-. Anders dan in de voorlopige voorziening is beslist zal de rechtbank dit toegenomen tekort tot uitgangspunt nemen bij de berekening van de mate waarin de zorgkorting verzilverd kan worden omdat dit inmiddels de nieuwe feitelijke situatie is. De helft van dit tekort wordt in mindering gebracht op de zorgkorting van de man waardoor voor de man een bedrag aan zorgkorting resteert van € 615 - € 353 = € 262,- De bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt dan € 650 - € 262 = € 388,- ofwel € 194,- per kind per maand
De rechtbank zal deze bijdrage van de man voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan kinderalimentatie vastleggen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Algehele gemeenschap van goederen
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW Pro (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum
4 februari 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk bij bankrekeningen en nu partijen niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 4 februari 2025.
Omvang
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
de vof [bedrijf] ;
het woonhuis aan het [adres 1] met de daaraan gekoppelde hypothecaire leningen;
de bankrekeningen;
1. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van partijen;
2. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw;
3. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van de man;
4. bankrekeningen die behoren bij de vof, onder meer bankrekening eindigend op [rekeningnummer 4] ;
5. bankrekeningen op naam van de kinderen;
de inboedel;
een schuld bij de ouders van de man;
aanslagen inkomstenbelasting en Zorgverzekeringswet.
Ad a. de vof
Beide partijen zijn het erover eens dat het aandeel in de vof aan de man moet worden toegedeeld onder de verplichting om de helft van de waarde van zijn aandeel aan de vrouw te voldoen. De man heeft aangevoerd dat de vof al is getaxeerd en heeft in dit kader productie 13 overgelegd, waaruit blijkt dat de tussentijdse cijfers van de vof per 31 januari 2025 zijn opgesteld en in oktober 2025 de motorrijtuigen van de vof zijn getaxeerd. Nu de vrouw gemotiveerd heeft betwist dat een waardering van de vof heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank bepalen dat de vof zal worden gewaardeerd. Zoals op de zitting is besproken, zal de rechtbank in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan de waardering van de vof en vergoeding van de waarde. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw drie deskundigen zal voordragen aan de man die ervaring hebben met/gespecialiseerd zijn in de waardering van vrachtwagenbedrijven. Dit leent zich echter niet voor opname in het dictum.
Ad b. het woonhuis
De man heeft aangegeven dat hij de woning wil overnemen en de woning al in december 2024 is getaxeerd. Hij heeft gesteld dat hij ten minste een termijn van drie maanden vanaf de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand nodig heeft om de financiering rond te krijgen.
De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de taxatie van december 2024 niet meer gebruikt kan worden, nu zij recht heeft op de waardestijging van de woning over 2025. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de woning binnen twee weken na de beschikking moet worden verkocht.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is besproken dat de man de gelegenheid krijgt om te bezien of hij de vrouw kan uitkopen. Mocht dat niet lukken, dan moet de woning worden verkocht. Tussen partijen is in geschil welke termijn de man moet worden gegeven om te bezien of hij de overname van de woning kan realiseren. In dit kader heeft de man als productie 12 een brief van zijn financieel planner overgelegd, waaruit blijkt dat hij adviseert om rekening te houden met een termijn van vier maanden met de mogelijkheid om te verlengen indien deze termijn niet haalbaar blijkt. Op basis van de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken ziet de rechtbank – mede gelet op het belang van de vrouw bij een spoedige afwikkeling – geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke termijn. De rechtbank zal in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan een eventuele overname van de echtelijke woning door de man en, als de man daartoe niet in staat is, aan de verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de overwaarde.
Vergoeding hypotheeklasten
De vrouw heeft aangevoerd dat zij de helft van de hypotheeklasten van de woning voldoet, terwijl zij al geruime tijd niet meer in de woning woont en de ouders van de man de afgelopen periode in de woning hebben gewoond. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man een vergoeding van € 573,53 per maand aan de vrouw verschuldigd is voor het gebruik van de gezamenlijke woning, zijnde de maandelijkse hypotheeklasten die de vrouw momenteel betaalt. Daarbij heeft de vrouw verzocht om een vergoeding van € 1.000,- per maand, zijnde de helft van een redelijke huur (€ 2.000,- per maand) die de man van zijn ouders voor het gebruik van de woning zou kunnen ontvangen.
De man heeft verweer gevoerd.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft niet weersproken dat de vrouw tot januari 2026 het door haar gestelde bedrag van € 573,73 per maand aan aflossing en rente voor de woning heeft voldaan. Op de zitting is gebleken dat de man vanaf januari 2026 de aflossing en rentelasten zelf draagt. De rechtbank begrijpt dit verzoek van de vrouw voor zover het ziet op de rentelasten van de hypotheek als een vordering die ziet op de kosten voor de huishouding. De rechtbank oordeelt daarover als volgt. De kosten van de huishouding komen krachtens art. !:84 BW art. allereerst ten laste van het gemeenschappelijk inkomen van partijen en vervolgens, indien dat gemeenschappelijk inkomen ontoereikend is, ten laste van privé- inkomens naar evenredigheid. Voor zover het inkomen ontoereikend is, komen de kosten van de huishouding ten laste van het vermogen van partijen. Op grond van het bepaalde in artikel 150 Rv Pro rust op de vrouw de stelplicht. Zij dient derhalve alle (rechts)feiten te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het door hem beoogde rechtsgevolg (het bestaan van een recht op vergoeding) en deze feitelijke stellingen tevens voldoende concreet te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw hieraan niet heeft voldaan. De vrouw heeft nagelaten inzicht te geven in de (totale) omvang van de kosten van de huishouding van partijen. De vrouw heeft niets gesteld over de hoogte van de inkomsten van partijen noch over hun vermogenspositie. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw waar het ziet op de rentelasten van de hypotheek afwijzen.
Door het betalen van aflossing, wordt er vermogen gevormd. Immers, daardoor neemt de hypotheekschuld af en neemt de overwaarde toe. De rechtbank zal bij de verdeling uitgaan van de omvang van de hypothecaire geldleningen op de datum van het notarieel transport. Als gevolg daarvan deelt de man mee in de toename van de overwaarde als gevolg van de aflossing door de vrouw na de peildatum 4 februari 2025. Op grond van de artikelen 3:172 BW en 3:189 BW dienen partijen na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap naar evenredigheid van hun aandeel in de eigendom van de woning in deze kosten bij te dragen. Dit betekent dat de vrouw vanaf 4 februari 2025 tot de datum van notarieel transport van de woning gehouden is om de helft van de maandelijkse aflossing te betalen. Voor het geval de vrouw in deze periode meer of minder dan de helft van de aflossingslasten heeft betaald dient dit verrekend te worden bij de notaris. Partijen zijn gehouden om elkaar voorafgaand aan het notarieel transport te voorzien van de stukken van de bank waaruit dit blijkt.
De rechtbank zal beslissen als na te melden in het dictum en het meer of anders verzochte te dien aanzien afwijzen.
Ook het verzoek van de vrouw om een gebruikersvergoeding zal de rechtbank afwijzen. Ten aanzien van de periode vóór de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gelden de artikelen 1:81 BW en 1:84 BW, waaruit volgt dat zolang het huwelijk nog niet is ontbonden, echtgenoten gehouden zijn elkaar het nodige te verschaffen en verplicht zijn om ten behoeve van de kosten van de huishouding allebei bij te dragen naar evenredigheid van hun inkomen/vermogen. Er is geen wettelijke grondslag om een gebruiksvergoeding vast te stellen voor de periode dat partijen nog gehuwd zijn. De rechtbank zal het verzoek tot gebruiksvergoeding daarom voor deze periode afwijzen.
Ad c. de bankrekeningen
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de saldi van alle bankrekeningen bij helfte worden gedeeld. De vrouw heeft voorgesteld de rekeningen op naam van de kinderen onverdeeld te laten.
De man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt dat de bankrekeningen op naam van de kinderen buiten de verdeling vallen, omdat deze toebehoren aan de kinderen. De rechtbank zal daarover geen beslissing nemen. De bankrekeningen van de vof dienen betrokken te worden bij de verdeling van de vof. De rechtbank zal voor de overige bankrekeningen bepalen dat deze worden toegedeeld aan de partij op wiens naam de rekening staat, met verrekening van de saldi per peildatum.
Ad d. de inboedel
De man heeft aangegeven dat hij zal trachten om met de vrouw tot overeenstemming te komen ten aanzien van de inboedel. Gelet hierop en nu hierover geen verzoeken aan de rechtbank voorliggen, zal de rechtbank geen beslissing nemen over de inboedel.
Ad e. de schuld bij de ouders van de man
De man heeft aangevoerd dat partijen bij de aankoop van de echtelijke woning een bedrag van € 50.000,- hebben geleend bij de ouders van de man. De man heeft verzocht te bepalen dat de schuld tussen partijen bij helfte wordt gedeeld.
De vrouw heeft het bestaan van de lening betwist.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft als productie 10 een overzicht overgelegd, waarin is vermeld dat sprake is van een hoofdschuld aan de ouders van de man van € 50.000,- te vermeerderen met € 6.000,- aan niet betaalde rente. De rechtbank stelt vast dat er geen overeenkomst van de lening is ingebracht, dat de vrouw de lening heeft betwist en dat sprake is van een fiscale constructie met betrekking tot de afbetaling van de lening die niet consistent is onderbouwd of toegepast. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.
Ad f. de aanslagen inkomstenbelasting en Zorgverzekeringswet
De man heeft aangegeven dat hij aanslagen inkomstenbelasting en Zorgverzekeringswet over het jaar 2024 heeft ontvangen en er een bedrag van € 14.558,- moet worden terugbetaald. De man heeft verzocht te bepalen dat deze schuld bij helfte wordt gedeeld.
De rechtbank overweegt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW Pro. Gelet op artikel 1:100, tweede lid, BW geldt in de onderlinge verhouding tussen partijen dat, voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze schulden door beide partijen voor een gelijk deel worden gedragen. Dit kan anders zijn als dat schriftelijk is overeengekomen of als uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide partijen tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW Pro. De vrouw heeft zich niet verzet tegen het verzoek van de man. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de schuld en dat ieder voor de helft daarvan draagplichtig is, op grond van artikel 1:100 BW Pro.
Voortgezet gebruik
De vrouw heeft haar verzoek ten aanzien van het voortgezet gebruik ingetrokken. De rechtbank hoeft op dat verzoek daarom niet meer te beslissen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 2017 te [plaats 1] ;
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] ;
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
bepaalt de volgende reguliere zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] :
- de kinderen verblijven één weekend per veertien dagen bij de man waarbij het weekend donderdag uit school begint en op zondag na het avondeten om 18.00 uur eindigt;
- de man haalt de kinderen iedere maandag en dinsdag en om de week op donderdag op uit school en brengt ze om 18.30 terug bij de vrouw;
bepaalt dat ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de volgende vakantie- en feestdagenregeling geldt:
- met betrekking tot de voorjaarsvakantie: de reguliere zorgregeling loopt door;
- ten aanzien van de meivakantie: de kinderen zijn de eerste week bij de man en de tweede
week bij de vrouw;
- ten aanzien van de zomervakantie: in de even jaren zijn de kinderen de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw en in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man;
- met betrekking tot de herfstvakantie: de reguliere zorgregeling loopt door;
- ten aanzien van de kerstvakantie: de kinderen zijn de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;
- ten aanzien van de verjaardag van de man en Vaderdag: de kinderen zijn bij de man;
- ten aanzien van de verjaardag van de vrouw en Moederdag: de kinderen zijn bij de vrouw;
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de man] , (de man)
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de vrouw] , (de vrouw)
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams [regio] voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van de kennisgeving van deze beschikking te zenden naar: Jeugdteams [regio] , [adres 2] ;
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt) van € 388- per maand voor de twee kinderen samen zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de vennootschap onder firma [bedrijf] te [plaats 2] :
1. de vof wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke deskundige dient de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van de beschikking drie onafhankelijke deskundigen voor te stellen die bereid en in staat zijn de vof te waarderen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze deskundige tot waardering van de vof. Deze deskundige zal binnen drie maanden tussen partijen bindend de waarde van de vof vaststellen;
b) de positieve dan wel negatieve waarde van de vof wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de waarde minus de kosten van de deskundige;
met betrekking tot de woning, gelegen aan het [adres 1] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen:
1) de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
c) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
d) de man dient binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
e) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
f) de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;
g) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
aan de man worden toegedeeld:
- de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van de man, waarbij
het saldo op de peildatum (4 februari 2025) bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld;
- de helft van het saldo op de peildatum (4 februari 2025) van de
bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van partijen;
aan de vrouw worden toegedeeld:
- de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw, waarbij het
saldo op de peildatum (4 februari 2025) bij helfte met de man moet worden gedeeld;
- de helft van het saldo op de peildatum (4 februari 2025) van de
bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van partijen;
bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de schuld ten aanzien van de aanslagen inkomstenbelasting en Zorgverzekeringswet over het jaar 2024 voor zijn/haar rekening dient te nemen;
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 29 april 2026.