6.3.Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
In 2020 heeft de verdachte de [stichting] opgericht met als doel onderzoek te doen naar de proportionaliteit van de door de overheid afgekondigde coronamaatregelen. Op de website van [stichting] verkondigde de verdachte dat hij over de verklaringen van tachtig politieagenten beschikte over geweld toegepast door de politie bij demonstraties tegen die maatregelen. De verklaringen waren door de verdachte verzonnen, maar werden als echt en waar uitgevent, onder andere door ‘transcripties’ te publiceren op de website, door de verklaringen uit te geven in een ‘tussenrapport’, door te doen alsof een notaris had vastgesteld wie de agenten waren, en te zeggen dat video-opnames van de verklaringen in een kluis bij de notaris in bewaring waren gegeven. Ook zou er aangifte zijn gedaan tegen de verantwoordelijke ministers. Dit alles was een grote leugen.
Met deze leugen heeft de verdachte op slinkse wijze duizenden donaties en daarmee een aanzienlijk bedrag opgehaald – de donaties beliepen honderdduizenden euro’s.
Het overgrote deel van de uit donaties verkregen gelden – driekwart – heeft hij niet ten behoeve van de stichting, maar voor privéuitgaven aangewend. Hiermee heeft de verdachte zichzelf en zijn gezinsleden financieel bevoordeeld. De verdachte heeft daarmee in strijd gehandeld met mededelingen daarover op zijn websites en de statuten van zijn stichting, waarmee het door donateurs in hem gestelde vertrouwen ernstig is geschaad.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het medeplegen van eenvoudig witwassen door een geldbedrag dat onmiddellijk afkomstig was uit voornoemde oplichting te verwerven en voorhanden te hebben.
Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door een valse notariële akte op te maken en deze te versturen naar derden met het oogmerk om die als echt en onvervalst te gebruiken. Het notariaat is een ambt met aanzien. Derden moeten kunnen vertrouwen op de juistheid en authenticiteit van notariële akten. Door het frauduleus handelen van verdachte is het vertrouwen dat in het notariële verkeer moet kunnen worden gesteld in ernstig mate geschaad.
Met de door de hem gepleegde feiten heeft de verdachte laten zien dat hij alleen maar uit is geweest op zijn eigen financieel gewin en aanzien. Hij heeft zich – getuige bijvoorbeeld de vakanties naar Aruba – een levensstijl aangemeten die hij zich anders niet kon veroorloven, en dat op kosten van degene die hun vertrouwen hadden gesteld in de verdachte en zijn stichting, en ervan uitgingen dat hun bijdragen daadwerkelijk werden aangewend voor het doen van kritisch onderzoek naar het doen en laten van de overheid. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij het vertrouwen van deze individuele donateurs heeft beschaamd.
Dit misbruik van vertrouwen is des te kwalijker wanneer het wordt geplaatst in de tijd waarin het zich heeft afgespeeld: de corona-periode. Die periode werd gekenmerkt door onzekerheid en zorgen in de samenleving, door zeer ingrijpende en soms controversiële maatregelen, dwingend opgelegd door de overheid, en door kritiek op die maatregelen en wantrouwen jegens de overheid. Door op zijn websites termen te gebruiken als ‘de leugen regeert’ en de vraag op te werpen ‘Cui bono?’en ‘Wie profiteert van dit beleid?’, heeft de verdachte ingespeeld op de onzekerheid en het wantrouwen dat sommigen in de samenleving voelden en misbruik gemaakt van dit sentiment.
De rechtbank acht het handelen van de verdachte laakbaar en overweegt dat dergelijk handelen, zeker op de schaal als in onderhavige zaak, zeer ontwrichtend kan zijn voor de maatschappij.
Hoewel de verdachte in eerste instantie bekennende verklaringen heeft afgelegd, heeft hij die later weer ingetrokken. De verdachte heeft daarmee uiteindelijk geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.
De rechtbank rekent de verdachte dit alles aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 november 2025. De rechtbank stelt vast dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren geen relevante veroordelingen op zijn naam heeft staan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 21 april 2023, waaruit blijkt dat bij de verdachte sprake is van een drang om erkenning en aanzien. Ook blijkt uit het advies dat de verdachte is gediagnosticeerd met een narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken en dat dergelijke stoornissen lastig te behandelen zijn. Daarnaast gaf de verdachte tegenover de reclassering te kennen dat hij eerder in behandeling was vanwege een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en vanwege depressieve klachten. Hoewel de verdachte zich meewerkend opstelde aan een behandeling, ziet de behandelaar van de verdachte geen mogelijkheden in voortzetting ervan. De verdachte was met regelmaat afwezig en was ‘langdurig betrokken bij het vermeende delict gedurende de behandeling’. De behandeling zou daarom gestagneerd zijn. De reclassering schrijft voorts dat het ‘zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de motivatie voor behandeling vooral extern gericht is om zodoende het beeld te willen schetsen dat [de verdachte] vanuit psychische problematiek is wie hij is.’
Verder schat de reclassering het recidiverisico in op gemiddeld. De laatste veroordeling van de verdachte is inmiddels vele jaren geleden, maar door de psychische diagnostiek, moeilijke behandelbaarheid daarvan en de betrekkelijke verantwoording die de verdachte neemt, wordt recidive niet uitgesloten. De kans op het onttrekken aan voorwaarden schat de reclassering laag in.
De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden aan hem op te leggen, omdat zij geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van twee voortgangsverslagen van de toezichthouder van 22 april 2025 en 14 oktober 2025. Hieruit volgt dat de verdachte zich gedurende het toezicht uit hoofde van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis meewerkend heeft opgesteld. De verdachte stond in goed contact met de toezichthouder en kwam afspraken na. Daarnaast volgt uit voornoemde verslagen dat de verdachte zich vrijwillig heeft aangemeld bij de [instelling] om aan zijn PTSS klachten te werken en dat ook dit contact goed verloopt. Ook schat de reclassering het risico op recidive in op laag.
Strafoplegging
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Met deze duur wil de rechtbank de ernst van de feiten tot uitdrukking brengen.
De rechtbank zal een deel van die straf, namelijk zes (6) maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren, en daaraan bijzondere voorwaarden verbinden. Hoewel de reclassering in april 2023 een straf zonder bijzondere voorwaarden adviseerde, acht de rechtbank deze wel geboden, gelet op de omstandigheid dat de verdachte inmiddels is teruggekomen op zijn eerder (ook bij de reclassering) afgelegde, bekennende verklaring. Die houding doet de vrees voor herhaling toenemen.
Het onvoorwaardelijk gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf is lager dan door de officier van justitie is geëist, aangezien de rechtbank – anders dan de officier van justitie – tot een bewezenverklaring komt van drie van de vijf aan de verdachte ten laste gelegde feiten. De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, oplegging van een aanzienlijk voorwaardelijk deel passend en geboden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en om de kans op recidive terug te dringen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Overschrijding van de redelijke termijn
Voorop staat dat in artikel 6 EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Als uitgangspunt geldt dat de behandeling op de terechtzitting binnen twee jaar met een eindvonnis dient te zijn afgerond, te rekenen vanaf het moment waarop de verdachte in redelijkheid mag verwachten dat tegen hem strafvervolging zal worden ingesteld. Dat kan anders zijn onder bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of diens raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank gaat uit van een aanvang van de redelijke termijn op 7 maart 2023, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank wijst vonnis op 27 januari 2026, ruim twee jaar en tien maanden na aanvang van de redelijke termijn. De verdachte heeft de keuze gemaakt zich niet te laten bijstaan door een raadsman. Teneinde de verdachte te adviseren om zich te laten bijstaan door een raadsman, kon de zaak op 24 januari 2025 niet inhoudelijk worden behandeld, maar was het houden van een regiezitting noodzakelijk. Tijdens deze zitting heeft de verdachte de rechtbank gewraakt. Ook tijdens de uiteindelijk op 13 mei 2025 geplande inhoudelijke behandeling, heeft de verdachte de rechtbank gewraakt. De behandeling van de wrakingsverzoeken heeft voor de nodige vertraging gezorgd. De wrakingskamer heeft in haar uitspraak op het tweede wrakingsverzoek geoordeeld dat de verdachte het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren en dat daarmee is sprake van misbruik.
Hoewel de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden met ruim tien maanden, is de rechtbank van oordeel dat deze geringe overschrijding goeddeels te wijten is geweest aan de proceshouding van de verdachte. Om die reden zal de rechtbank hieraan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft op de terechtzitting van 13 januari 2026 aan de orde gesteld dat het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst tot aan de einduitspraak in eerste aanleg.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevaar voor herhaling nog altijd bestaat en dat het strafvorderlijk belang bij het herleven van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zwaarder weegt dan het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij het opnieuw schorsen van de voorlopige hechtenis. In dit verband heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verdachte niet van zijn fouten heeft geleerd. De verdachte wijst volgens de officier van justitie slechts naar anderen en heeft tijdens de zitting verklaard dat hij een zogenaamde ‘
crowdfunding’zou willen opzetten om zijn verdediging te bekostigen.
De verdachte heeft bepleit de schorsing te laten voortduren totdat het hoger beroep in zijn zaak wordt behandeld. Daartoe heeft de verdachte aangevoerd dat hij geen aanleiding ziet om hem direct van zijn vrijheid te benemen. Ook heeft hij zich gedurende de schorsing gehouden aan de daaraan verbonden voorwaarden. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij zich opnieuw aan eventueel te stellen schorsingsvoorwaarden zal houden.
De rechtbank veroordeelt de verdachte voor drie ten laste gelegde feiten en is van oordeel dat de grond als bedoeld in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering, die tot het bevel tot gevangenhouding van de verdachte heeft geleid, ook nu nog bestaat. Uit het reclasseringsadvies blijkt van gevaar op herhaling en de veranderende proceshouding doet daar ook voor vrezen. Wel is de rechtbank van oordeel dat het persoonlijk belang van de verdachte zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang bij het laten herleven van het bevel tot voorlopige hechtenis, omdat de doelen die met voorlopige hechtenis worden nagestreefd ook kunnen worden bereikt door het stellen van voorwaarden aan een schorsing.
De rechtbank ziet dan ook aanleiding om, in afwachting van het onherroepelijk worden van dit vonnis, het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw te schorsen met ingang van de dag dat dit vonnis wordt uitgesproken. De rechtbank zal hieraan naast de algemene schorsingsvoorwaarden, een aantal bijzondere voorwaarden verbinden. Voor zover de verdachte zich dient te onthouden van enige en elke betrokkenheid bij fondsenwerving, heeft de rechtbank deze voorwaarde enigszins genuanceerd ten opzichte van de vorige schorsingsvoorwaarden, in die zin dat het betrokkene wel is toegestaan om fondsen te werven ten behoeve van persoonlijke uitgaven, zoals bijvoorbeeld het bekostigen van zijn verdediging.