Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11773

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/700570 / FA RK 26-2090
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 16 HKBV 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming vakantie voor minderjarige naar het buitenland

De moeder heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om vervangende toestemming te verkrijgen om met haar minderjarige kind op vakantie te gaan naar [land 1], met een tussenstop in Turkije, van 21 april 2026 tot en met 9 mei 2026. De vader, die gezamenlijk gezag zou kunnen hebben, heeft geen toestemming gegeven en is niet bereikbaar voor overleg.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het kind in Nederland verblijft en dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over het verzoek te beslissen. Hoewel niet definitief is vastgesteld of de vader gezamenlijk gezag heeft, is ook niet bewezen dat hij dat niet heeft, waardoor het verzoek tot vervangende toestemming wordt beoordeeld.

De moeder heeft een vrijstelling van school voor de vakantie en het belang van het kind wordt gediend met de vakantie. De rechtbank acht het verzoek gegrond en verleent de vervangende toestemming. De proceskosten worden door elke partij zelf gedragen.

Uitkomst: De rechtbank verleent de moeder vervangende toestemming om met het minderjarige kind op vakantie te gaan naar het buitenland.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2090
Zaaknummer: C/09/700570
Datum beschikking: 14 april 2026

Vervangende toestemming vakantie

Beschikking op het op 2 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.S. van Haeften te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
zonder bekende woon- en verblijfplaats.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 19 maart 2026 van de zijde van de moeder.
Op 7 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De vader is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.

Verzoek en verweer

De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:
- dat aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om met [de minderjarige] van
21 april 2026 tot en met 9 mei 2026 op vakantie te gaan naar [land 1] , waarbij zij een tussenstop zal maken in Turkije en dat deze toestemming wordt vervangen voor de toestemming van de man,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het nog minderjarige kind [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , [land 2] .
- [de minderjarige] verblijft bij de moeder.
- De moeder en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en van de vader is geen nationaliteit bekend.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot het verkrijgen van vervangende toestemming om op vakantie naar het buitenland te kunnen.
Inhoudelijke beoordeling
Toets gezamenlijk gezag
Op grond van artikel 16 HKBV Pro 1996 is het Engelse recht van toepassing. Hieruit volgt dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitvoeren als de juridisch vader op de geboorteakte is opgenomen.
De moeder heeft in deze procedure geen geboorteakte van [de minderjarige] kunnen overleggen, omdat deze nog in aanvraag is. De moeder is ook een procedure voor eenhoofdig gezag gestart, waar zij deze wel zal overleggen. [de minderjarige] is door de vader wel erkend volgens de moeder. Hij staat aldus op de geboorteakte opgenomen. De rechtbank kan op dit moment dus niet vaststellen of de vader op de geboorteakte van [de minderjarige] staat opgenomen en van rechtswege gezamenlijk met de moeder met het gezag over [de minderjarige] is belast. Anderzijds is eveneens niet vastgesteld dat de vader niet met het gezag over [de minderjarige] is belast, op basis waarvan de rechtbank het verzoek tot vervangende toestemming zal beoordelen.
Beoordeling verzoek
De moeder wenst met [de minderjarige] op vakantie te gaan naar [land 1] met een tussenstop in Turkije. Van school heeft de moeder een vrijstelling gekregen voor deze vakantie. Met de vader heeft de moeder geen contact. [de minderjarige] heeft hem maar een keer gezien. Het is niet mogelijk voor de moeder om zijn schriftelijke toestemming te verkrijgen. Daarom doet zij een verzoek tot vervangende toestemming om met [de minderjarige] op vakantie te gaan tussen 21 april 2026 en 9 mei 2026.
De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij met de moeder op vakantie kan gaan. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij samen op familiebezoek gaan in [land 1] en dat de laatste keer dat zij daar waren drie jaar geleden was. De rechtbank zal het verzoek tot vervangende toestemming verlenen omdat zij dit in het belang van [de minderjarige] acht.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
verleent de moeder toestemming – die de toestemming van de vader vervangt – om met de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , [land 2] af te reizen naar [land 1] , met een tussenstop in Turkije, van 21 april 2026 tot en met 9 mei 2026;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.