ECLI:NL:RBDHA:2026:11762

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/685623 / FA RK 25-3821
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag in belang minderjarige

De moeder verzoekt de rechtbank het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind te beëindigen en het eenhoofdig gezag aan haar toe te kennen. De ouders zijn niet gehuwd en hebben sinds het uiteengaan nagenoeg drie jaar geen fysiek contact gehad tussen de vader en het kind. Ook het contact tussen de ouders is beperkt tot e-mail.

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk gezag blijven uitoefenen, tenzij gewijzigde omstandigheden of onjuiste gegevens dit niet rechtvaardigen. Uit de stukken en zitting blijkt dat de vader door het gebrek aan contact onvoldoende op de hoogte is van het dagelijks leven van het kind en daardoor niet goed kan beoordelen wat in het belang van het kind is.

De moeder moet gezagsbeslissingen via advocaten aan de vader voorleggen, wat vertraging veroorzaakt. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk dat de moeder voortaan alleen het gezag uitoefent. Tevens is besproken dat de moeder het contact van het kind met de vader en halfbroertje niet zal belemmeren als het kind dit wenst.

De rechtbank wijst het verzoek toe, verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt het gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag voor de moeder in het belang van de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3821
Zaaknummer: C/09/685623
Datum beschikking: 14 april 2026

Gezag

Beschikking op het op 21 mei 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.E. de Jong te Zoeterwoude.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het bericht van 6 maart 2026, inclusief bijlage, van de zijde van de vader;
- het bericht van 12 maart 2026 van de zijde van de moeder;
- het bericht van 13 maart 2026 van de zijde van de vader;
- het bericht van 13 maart 2026, inclusief bijlagen, van de zijde van de moeder.
Op 17 maart 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
De vader en zijn advocaat zijn, met bericht, niet verschenen.

Feiten

- De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] .
- De ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 20 juni 2019.
- [de minderjarige] verblijft bij de moeder.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt de rechtbank het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] te beëindigen en het eenhoofdig gezag aan de moeder toe te kennen.
De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden zijn gewijzigd.
De vader heeft verweer gevoerd en zich ten aanzien van het gezag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en voorafgaand aan de zitting zijn zelfstandige verzoek dat ziet op het vaststellen van een zorgregeling ingetrokken.

Beoordeling

Wettelijk kader
De rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd in het geval er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat de omstandigheden na het uiteengaan van de ouders zijn gewijzigd. Inmiddels is er nagenoeg drie jaar geen fysiek contact geweest tussen [de minderjarige] en haar vader. Beide ouders geven aan dat zij in deze periode ook vrijwel geen contact met elkaar hebben gehad en onderkennen dat dit beperkte contact uitsluitend per e-mail is en dit eigenlijk niet normaal is. De rechtbank concludeert dat de vader door het ontbreken van contact met [de minderjarige] en de moeder eigenlijk niet op de hoogte is van wat er in het (dagelijks) leven van [de minderjarige] speelt, met als gevolg dat hij niet goed in staat is om te beoordelen welke beslissingen in het belang van [de minderjarige] zijn. Hoewel de vader ook stelt dat hij in het verleden geen gezagsbeslissingen heeft tegengewerkt komt uit hetgeen de moeder tijdens de zitting heeft verklaard, het beeld naar voren dat de moeder deze beslissingen altijd via de advocaten van de ouders aan de vader moet voorleggen. In alle gevallen duurt het lang voordat de vader zijn toestemming daadwerkelijk en op de juiste wijze verleent. Gelet op alle voornoemde omstandigheden acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat de moeder voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] zal uitoefenen.
De rechtbank overweegt nog ten overvloede dat ter zitting met de moeder en de Raad is gesproken over de rol van de vader in het leven van [de minderjarige] in de toekomst. Volgens de moeder geeft [de minderjarige] op dit moment (al dan niet desgevraagd) aan dat zij geen contact wil met haar vader. Daarbij heeft de moeder uitdrukkelijk gesteld dat als [de minderjarige] in de toekomst zou aangeven dat zij haar vader en/of haar halfbroertje van vaderszijde zou willen zien of spreken, de moeder hieraan in beginsel niet in de weg zal staan.

BeslissingDe rechtbank:

*
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 1994 te [geboorteplaats] , het gezag zal toekomen over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 14 april 2026.