ECLI:NL:RBDHA:2026:11745

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/660082 / FA RK 24-408
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling zorgregeling en hoofdverblijfplaats met doorverwijzing naar ouderschapsbemiddeling

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot wijziging van de zorgregeling en hoofdverblijfplaats van twee minderjarige kinderen. Na onderzoek en rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming werd vastgesteld dat de communicatie tussen de ouders ernstig verstoord is, waardoor co-ouderschap op korte termijn niet in het belang van de kinderen is.

De vader verzocht om een omkering van de zorgregeling zodat de kinderen hoofdzakelijk bij hem zouden verblijven, terwijl de moeder de huidige regeling wilde handhaven. De rechtbank oordeelde dat de huidige regeling, waarbij de kinderen één weekend per twee weken bij de vader verblijven, goed functioneert en dat een ingrijpende wijziging niet gerechtvaardigd is.

De rechtbank legde de hoofdverblijfplaats bij de moeder vast en verwees de ouders naar een traject van ouderschapsbemiddeling om hun communicatie te verbeteren. Tevens werd een regeling getroffen voor vakanties en feestdagen, waarbij de kerstdagen jaarlijks wisselen tussen de ouders. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden door elke partij zelf gedragen.

Uitkomst: De rechtbank stelt de huidige zorgregeling vast met hoofdverblijfplaats bij de moeder en verwijst de ouders naar ouderschapsbemiddeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-408
Zaaknummer: C/09/660082
Datum beschikking: 14 april 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en hoofdverblijfplaats

Beschikking op het op 18 januari 2024 ingekomen verzoek van:

[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.G.S.N. Asselbergs te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Shahbazi te ’s-Gravenhage.

Procedure

Bij beschikking van 14 april 2025 van deze rechtbank is een beslissing over de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) en de hoofdverblijfplaats van de kinderen aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en aan de rechtbank te rapporteren en te adviseren.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
- het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage (hierna te noemen: de Raad) van 30 oktober 2025 met kenmerk SK-1-67FNI6O;
- het bericht van 7 november 2025 van de zijde van de vader;
- het bericht van 28 november 2025 van de zijde van de moeder;
- het bericht van 26 februari 2026, inclusief bijlagen, van de zijde van de vader.
Op 17 maart 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

Verzoek en verweer

De vader heeft zijn zelfstandig verzoek ten aanzien van de zorgregeling gewijzigd, in die zin dat de vader de rechtbank nu verzoekt om – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] elke veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend bij de moeder zullen verblijven, dan wel een regeling te treffen welke de rechtbank redelijk en juist acht.
De moeder heeft ter zitting verweer gevoerd tegen dit verzoek.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
Raadsrapport
Naar aanleiding van de vorige zitting en de beschikking van 14 april 2025 heeft de Raad onderzoek gedaan naar de vraag of een week-op week-af regeling (zoals in eerste instantie door de vader werd voorgesteld) mogelijk is, of dat een andere zorgregeling meer in het belang van de kinderen is, mede gelet op de slechte verstandhouding en uiterst gebrekkige communicatie tussen de ouders. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat na de zitting het contact tussen [minderjarige 2] en de vader is hersteld nadat [minderjarige 2] bij de Raad en de moeder heeft aangegeven dat hij weer contact met zijn vader wilde. Vanaf 10 oktober 2025 verblijven [minderjarige 2] en [minderjarige 1] één weekend per twee weken van vrijdag uit school tot zondagavond bij de vader. Hoewel de ouders – naar de rechtbank begrijpt onder begeleiding van de Raad – wel overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling, constateert de Raad ook dat de communicatie tussen de ouders nog altijd dusdanig is verstoord dat het de ouders niet lukt om op respectvolle wijze met elkaar te communiceren. De Raad geeft aan dat voor co-ouderschap noodzakelijk is dat de communicatie verbetert en adviseert de ouders zich aan te melden voor professionele begeleiding van het Scheidingspunt.
Waar de Raad in eerste instantie adviseerde om de huidige zorgregeling te bestendigen door de definitieve beslissing over de zorgregeling aan te houden en later te beslissen over de week-op week-af regeling, heeft de Raad op de zitting aangegeven dat partijen vooral gebaat zullen zijn bij duidelijkheid en dat co-ouderschap op korte termijn niet in het belang van de kinderen is. In dat verband heeft de Raad ter zitting geadviseerd de huidige zorgregeling als definitieve regeling vast te leggen en de ouders via het Uniform Hulpaanbod door te verwijzen naar ouderschapsbemiddeling.
De vader heeft te kennen gegeven dat hij graag meer tijd met zijn kinderen wil doorbrengen en stelt dat uit het raadsrapport blijkt dat er geen zorgen zijn die daaraan in de weg staan. Volgens de vader is het onterecht dat hij slechts een weekend per veertien dagen met de kinderen kan doorbrengen, terwijl het de moeder is die niet langer meewerkt aan het toewerken naar een co-ouderschap met een gelijke zorgverdeling. Daarom heeft de vader zijn verzoek gewijzigd en vraagt hij de rechtbank de huidige zorgregeling om te draaien en te bepalen dat de kinderen hoofdzakelijk bij hem verblijven en een weekend per veertien dagen bij de moeder zullen zijn.
De moeder wenst, conform het advies van de Raad, de feitelijke huidige zorgregeling vast te leggen. Zij heeft aangegeven dat zij op termijn openstaat voor co-ouderschap, maar dat zij hier voorlopig en onder deze omstandigheden geen mogelijkheid toe ziet.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal de zorgregeling, zoals die nu door de ouders wordt uitgevoerd, vaststellen als definitieve zorgregeling en legt dit uit als volgt. Het contact tussen [minderjarige 2] en de vader is hersteld. De ouders geven inmiddels al zes maanden uitvoering aan de huidige regeling, waarbij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] één weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondagavond bij de vader verblijven. Uit de stukken en dat wat de ouders op de zitting hebben verteld, maakt de rechtbank op dat deze regeling goed verloopt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de zorgregeling op zo een ingrijpende wijze aan te passen als de vader verzoekt. Daarbij komt dat op de zitting met de ouders is gesproken over de mogelijkheid om deze regeling met een doordeweekse dag bij de vader uit te breiden, maar dat de vader heeft aangegeven dat hij dat niet wil en dat hij alleen een langer weekend zou willen, ook om de wisselingen voor de kinderen te beperken. Net als de Raad is de rechtbank van oordeel dat co-ouderschap in de vorm van een week-op week-af regeling op termijn misschien mogelijk is, maar dat voor een dergelijke vorm van co-ouderschap is vereist dat de ouders constructief met elkaar kunnen communiceren en overleggen in het belang van de kinderen. Op dit moment lukt dat de ouders onvoldoende. Daarom is op de zitting met de ouders gesproken over het inzetten van hulpverlening ten aanzien van hun communicatie.
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.
De rechtbank vertrouwt erop dat de ouders zich in het kader van het bovengenoemde traject zullen inspannen om hun onderlinge communicatie in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verbeteren. Zij hebben het bij beide ouders fijn maar hebben ook veel last van al het gedoe tussen de ouders. Daarbij merkt de rechtbank op dat het de ouders vrij staat om gedurende of na afloop van dit traject met wederzijdse instemming andere afspraken te maken over de zorgregeling en/of over (het toewerken naar) een week-op week-af regeling.
Vakanties en feestdagen
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank voorts bepalen dat de reguliere zorgregeling ook doorloopt gedurende de vakanties en feestdagen, met uitzondering van de kerstdagen. Ten aanzien van de kerstdagen zal de rechtbank bepalen dat de kinderen in het ene jaar op kerstavond en eerste kerstdag bij de ene ouder zullen zijn en op tweede kerstdag bij de andere ouder, en het jaar daarop omgekeerd. De rechtbank zal bepalen dat de kinderen dit jaar, in 2026 dus, kerstavond en eerste kerstdag bij de vader zullen zijn en tweede kerstdag bij de moeder waarna de verdeling dus jaarlijks wisselt.
Daarbij overweegt de rechtbank nogmaals dat de ouders samen moeten toewerken naar een situatie waarin zij met elkaar afspraken kunnen maken over (het afwijken van) de zorgregeling en de vakanties. De rechtbank gaat ervan uit dat het traject ouderschapsbemiddeling / solo (parallel) ouderschap de ouders hiermee op weg zal helpen. Als de ouders het niet met elkaar eens worden over (het afwijken van) de zorgregeling en/of de vakanties, zal de bovenstaande regeling blijven gelden.
Hoofdverblijfplaats
Omdat de rechtbank een zorgregeling zal vaststellen waarbij de kinderen een weekend per veertien dagen bij de vader zijn, zal het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen bij de moeder komen te liggen. De rechtbank acht het van belang om de juridische en feitelijke werkelijkheid met elkaar in overeenstemming te brengen en zal daarom bepalen dat beide kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben.
Proceskosten
Nu het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de kosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling – :
*
bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] ,
  • bij de vader zullen zijn één weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondagavond (
  • tijdens de
  • tijdens de
*
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader] ,
(de vader)
wonende op de [adres 1] ,
en
[de moeder] ,
(de moeder)
wonende op de [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding, [adres 3] ;
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 14 april 2026.