ECLI:NL:RBDHA:2026:11696
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vreemdelingenwet ongegrond verklaard
De minister van Asiel en Migratie heeft op 22 december 2025 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd aan eiseres en haar minderjarige dochter, waarbij zij verplicht werden te verblijven op een gezinslocatie in een bepaalde gemeente. Eiseres stelde beroep in tegen deze maatregel en voerde onder meer aan dat de maatregel disproportioneel is en onvoldoende is gemotiveerd, mede vanwege haar psychische klachten en de impact op haar dochter die gewend was aan een andere opvanglocatie.
De rechtbank behandelde het beroep op 8 mei 2026, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet verschenen. De rechtbank oordeelde dat de minister de maatregel op grond van artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet terecht heeft opgelegd, omdat eiseres niet voldeed aan de verplichting om Nederland uit eigen beweging te verlaten, geen vaste woon- of verblijfsplaats had en onvoldoende middelen van bestaan beschikte.
De rechtbank stelde vast dat de minister de belangen van eiseres en haar dochter heeft meegewogen, waaronder de medische situatie en het schoolbezoek van de dochter, en dat de voorzieningen op de gezinslocatie adequaat zijn. De rechtbank vond de motivering van de minister deugdelijk en de maatregel niet disproportioneel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel is ongegrond verklaard en de maatregel is rechtmatig bevonden.