Een ex-werknemer van de staatssecretaris van Defensie ontvangt een WIA-uitkering. Op 8 april 2025 verzocht de eiser om herbeoordeling van het recht op deze uitkering. Het UWV heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van negen weken beslist, ondanks een ingebrekestelling op 16 juni 2025. De rechtbank ontving het beroepschrift op 26 februari 2026 en verklaarde het beroep gegrond wegens het uitblijven van een beslissing.
Het UWV gaf aan dat het grote tekort aan verzekeringsartsen en het hoge aantal verzoeken de vertraging veroorzaakten. De rechtbank oordeelde dat dit een bijzonder geval is zoals bedoeld in artikel 8:55d lid 3 Awb, waarbij een medische beoordeling door een verzekeringsarts noodzakelijk is. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin een termijn van zes weken voor de medische beoordeling en drie weken voor de besluitvorming werd vastgesteld, samen negen weken na verzending van de uitspraak.
Omdat niet bekend was wanneer de medische beoordeling zou plaatsvinden, legde de rechtbank het UWV op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de medische beoordeling te verrichten en binnen drie weken daarna een besluit te nemen. Voor elke dag overschrijding van deze termijn moet het UWV een dwangsom van €100 betalen, met een maximum van €15.000. Tevens moet het UWV het betaalde griffierecht van €397 aan de eiser vergoeden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.