Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11679

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
SGR 26/1741
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d lid 3 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV in medische WIA-herbeoordeling

Een ex-werknemer van de staatssecretaris van Defensie ontvangt een WIA-uitkering. Op 8 april 2025 verzocht de eiser om herbeoordeling van het recht op deze uitkering. Het UWV heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van negen weken beslist, ondanks een ingebrekestelling op 16 juni 2025. De rechtbank ontving het beroepschrift op 26 februari 2026 en verklaarde het beroep gegrond wegens het uitblijven van een beslissing.

Het UWV gaf aan dat het grote tekort aan verzekeringsartsen en het hoge aantal verzoeken de vertraging veroorzaakten. De rechtbank oordeelde dat dit een bijzonder geval is zoals bedoeld in artikel 8:55d lid 3 Awb, waarbij een medische beoordeling door een verzekeringsarts noodzakelijk is. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin een termijn van zes weken voor de medische beoordeling en drie weken voor de besluitvorming werd vastgesteld, samen negen weken na verzending van de uitspraak.

Omdat niet bekend was wanneer de medische beoordeling zou plaatsvinden, legde de rechtbank het UWV op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de medische beoordeling te verrichten en binnen drie weken daarna een besluit te nemen. Voor elke dag overschrijding van deze termijn moet het UWV een dwangsom van €100 betalen, met een maximum van €15.000. Tevens moet het UWV het betaalde griffierecht van €397 aan de eiser vergoeden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het UWV moet binnen negen weken een besluit nemen op het herbeoordelingsverzoek en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1741

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen

De staatssecretaris van Defensie, eiser

(gemachtigde: mr. M.H.G. In de Braekt),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: R.V. Gerritsen).

Inleiding

1. [(ex-)werknemer] , (ex-)werknemer van eiser, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 8 april 2025 heeft eiser verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werknemer op deze WIA-uitkering.
1.1.
De rechtbank heeft het beroepschrift van eiser wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek op 26 februari 2026 ontvangen.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiser heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 16 juni 2025 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 14 augustus 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiser een bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- is toegekend.
4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.
4.1.
Eiser heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen, bij voorkeur binnen twee weken na de uitspraak, een besluit op het herbeoordelingsverzoek te nemen.
4.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de aanvraag van eiser nog niet is beoordeeld wegens het grote tekort aan verzekeringsartsen en het grote aantal verzoeken.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.4.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 [2] heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
4.5.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. [4]
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.