Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11663

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL26.6449
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 9 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht bij afwijzing verblijfsdocument EU/EER

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen bij besluit van 10 december 2024. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt, dat op 3 februari 2026 kennelijk ongegrond werd verklaard. Eiser stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank stelde eiser op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid het griffierecht te betalen binnen een termijn van vier weken na dagtekening van de nota van 13 februari 2026. Het griffierecht werd echter niet binnen deze termijn voldaan en eiser gaf geen verschoonbare reden voor het verzuim.

Op grond van artikel 8:41, zesde lid, Awb verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. De rechtbank heeft het beroep niet inhoudelijk beoordeeld en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6449

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER [1] afgewezen.
Bij besluit van 3 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dit betekent dat het hele bedrag binnen die termijn moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn moet zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig betalen van het griffierecht verschoonbaar is.
2. De griffier heeft op 13 februari 2026 een nota verstuurd aan het adres van de gemachtigde van eiser, waarmee eiser in de gelegenheid is gesteld het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van die brief te betalen. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald.
3. Het griffierecht is niet binnen de voornoemde termijn ontvangen door de rechtbank. Eiser heeft geen verschoonbare reden gegeven voor dit verzuim.
4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 12 mei 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Algemene wet bestuursrecht.