Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11657

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL26.11597
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht in vreemdelingenzaak

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor het verblijfsdoel 'Verblijf als familie- of gezinslid' voor zichzelf en haar minderjarige kinderen. Deze aanvraag is bij besluit van 4 juli 2025 afgewezen door de minister van Asiel en Migratie. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 4 februari 2026 kennelijk ongegrond is verklaard. Eiseres stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank beoordeelde het beroep zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Volgens artikel 8:41 van Pro de Awb moet griffierecht worden betaald bij het instellen van beroep. De griffier heeft eiseres meerdere malen in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen, eerst via een nota van 5 maart 2026 en daarna via een herinnering per aangetekende brief van 7 mei 2026.

Het griffierecht is echter niet binnen de gestelde termijnen betaald en eiseres heeft geen verschoonbare reden voor het verzuim gegeven. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11597

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres en haar minderjarige kinderen voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor het verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij [referent] afgewezen.
Bij besluit van 4 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dit betekent dat het hele bedrag binnen die termijn moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn moet zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig betalen van het griffierecht verschoonbaar is.
2. De griffier heeft op 5 maart 2026 een nota verstuurd aan het adres van de gemachtigde van eiseres, waarmee eiseres in de gelegenheid is gesteld het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van die brief te betalen. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald.
3. Bij aangetekende brief van 7 mei 2026 is aan eiseres een herinnering tot betaling van het griffierecht verstuurd. Hiermee is eiseres nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken het griffierecht te betalen.
4. Het griffierecht is niet binnen de voornoemde termijn ontvangen door de rechtbank. Eiseres heeft geen verschoonbare reden gegeven voor dit verzuim.
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 12 mei 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.