Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11648

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL26.16354
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:82 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoekster heeft tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie beroep ingesteld en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het primaire besluit betrof de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht, een terugkeerplicht en een inreisverbod.

De rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening zonder zitting behandeld. De kern van de beoordeling betrof de betaling van het griffierecht, dat niet binnen de gestelde termijn door de rechtbank was ontvangen. Verzoekster heeft geen verschoonbare reden voor het verzuim gegeven.

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het niet tijdig betalen van het griffierecht reden om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. De griffier had verzoekster een aangetekende nota gestuurd met een betalingstermijn van twee weken, maar betaling bleef uit.

De rechtbank verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16354

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2026 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van verzoekster ingetrokken met terugwerkende kracht tot 6 juni 2026, bepaald dat verzoekster binnen vier weken terug dient te keren naar haar land van herkomst en aan haar een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Bij besluit van 18 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Iemand die verzoekt om een voorlopige voorziening, moet op grond van artikel 8:82 en Pro artikel 8:41, van de Awb griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dit betekent dat het hele bedrag binnen die termijn moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn moet zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig betalen van het griffierecht verschoonbaar is.
De griffier heeft op 28 maart 2026 een aangetekende nota verstuurd aan het adres van de gemachtigde van verzoekster, waarmee verzoekster in de gelegenheid is gesteld het griffierecht binnen twee weken na dagtekening van die brief te betalen. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald.
3. Het griffierecht is niet binnen de voornoemde termijn ontvangen door de rechtbank. Verzoekster heeft geen verschoonbare reden gegeven voor dit verzuim.
4. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 12 mei 2026 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.