Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11644

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL26.10618
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 17 DublinverordeningAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening ongegrond verklaard

De opposant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 27 maart 2026, waarin het beroep tegen het besluit van 25 februari 2026 om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, werd afgewezen. De reden was dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De opposant stelde dat er sprake is van een duurzame relatie met zijn partner die mede in het land van herkomst bestond, en dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met de overgelegde stukken en bijzondere omstandigheden die toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelde dat de relatie volgens de verklaringen van de opposant in augustus 2024 in Nederland is ontstaan, waardoor niet is voldaan aan het vereiste dat de relatie reeds in het land van herkomst bestond. De overgelegde stukken veranderden dit oordeel niet. Ook waren de aangevoerde bijzondere omstandigheden onvoldoende om overdracht aan Roemenië als onevenredige hardheid te beschouwen.

Daarom was er geen redelijke twijfel over het eerdere oordeel en werd het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van 27 maart 2026 blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.10618 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant, [1]
v-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk).

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Bij uitspraak van 27 maart 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. [2]
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb. [3]

Beoordeling door de rechtbank

1. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. In verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 27 maart 2026 het beroep van opposant tegen het besluit van 25 februari 2026 kennelijk ongegrond verklaard, omdat verweerder de asielaanvraag van opposant terecht niet in behandeling heeft genomen op grond van de Dublinverordening. [4] Daarbij is geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een gezinslid in de zin van artikel 2, aanhef en onder g, van die verordening en dat verweerder in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
3. Opposant voert in verzet aan dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van een duurzame relatie tussen hem en zijn partner die (mede) in het land van herkomst heeft bestaan. Volgens opposant heeft de rechtbank onvoldoende onderkend dat hij en zijn partner samen in Turkmenistan hebben verbleven met het doel te trouwen en daar als partners hebben geleefd. Verder heeft de rechtbank de overgelegde stukken en verklaringen onvoldoende kenbaar in haar beoordeling betrokken. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening, nu sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat overdracht aan Roemenië van een onevenredige hardheid getuigt. Het beroep is daarom ten onrechte zonder zitting afgedaan.
4. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk ongegrond is. De rechtbank heeft kunnen uitgaan van de door opposant afgelegde verklaringen dat de gestelde relatie in augustus 2024 in Nederland is ontstaan. Daarmee heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening dat de relatie reeds in het land van herkomst bestond. De door opposant overgelegde stukken zijn reeds betrokken bij de beoordeling van het beroep en leiden niet tot een ander oordeel. Deze stukken zien op de aard en intensiteit van de gestelde relatie, maar doen niet af aan het voorgaande. Dat opposant het niet eens is met die beoordeling, maakt dit niet anders. Voor zover opposant heeft aangevoerd dat hij en zijn partner samen in Turkmenistan hebben verbleven, geldt dat dit, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel leidt, nu hieruit niet volgt dat de gestelde relatie reeds in het land van herkomst is ontstaan.
5. De rechtbank ziet in hetgeen opposant heeft aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De door opposant genoemde omstandigheden zijn, ook in onderlinge samenhang, onvoldoende om te oordelen dat overdracht aan Roemenië van onevenredige hardheid getuigt. Gelet op het voorgaande bestond geen redelijke twijfel over de uitkomst van de zaak, zodat de rechtbank terecht de zaak buiten zitting heeft afgedaan.
6. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Verordening (EU) nr. 604/2013.