ECLI:NL:RBDHA:2026:11643
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na ongegrondverklaring beroep verblijfsvergunning
Verzoeker diende op 5 februari 2026 een herhaalde aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag bij besluit van 17 februari 2026 af als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen beroep in (zaak NL26.8922) en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening op 7 mei 2026 in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden. Op diezelfde dag werd het samenhangende beroep ongegrond verklaard. Gezien deze uitspraak zag de voorzieningenrechter geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het samenhangende beroep reeds ongegrond is verklaard.