Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11587

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL26.21932
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure wegens Dublin-verantwoordelijkheid Bulgarije

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 april 2026 waarbij de minister van Asiel en Migratie de asielaanvraag niet in behandeling nam omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag volgens de Dublin-verordening.

Verzoeker vroeg tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen omdat de rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL26.21931), waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is onherroepelijk, aangezien tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21932

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 13 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.21931, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.