ECLI:NL:RBDHA:2026:11585
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Litouwen onder Dublinverordening
Eiser, een Oezbeekse nationaliteit, diende op 29 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland verzocht Litouwen om hem terug te nemen op grond van de Dublinverordening, welke Litouwen accepteerde. De Nederlandse minister van Asiel en Migratie nam de asielaanvraag niet in behandeling omdat Litouwen verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser voerde aan dat Litouwen niet langer verantwoordelijk is omdat zijn Litouwse verblijfsvergunning was ingetrokken en dat overdracht aan Litouwen zou leiden tot onevenredige hardheid, omdat hij nooit in Litouwen is geweest en geen band met dat land heeft. Tevens stelde hij dat terugkeer naar Oezbekistan geen optie is vanwege persoonlijke problemen.
De rechtbank oordeelde dat het intrekken van de Litouwse verblijfsvergunning geen verschuiving van verantwoordelijkheid veroorzaakt, omdat Litouwen expliciet heeft bevestigd de asielaanvraag te behandelen. De rechtbank vond geen aanleiding om de asielaanvraag onverplicht aan Nederland toe te wijzen wegens onevenredige hardheid, omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Litouwen zijn verplichtingen niet nakomt en de omstandigheden van eiser onvoldoende bijzonder zijn.
De rechtbank stelde vast dat terugkeer naar Oezbekistan niet aan de orde is in deze procedure, die zich richt op de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.