Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11570

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
C/09/684217 / FA RK 25-3112
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling en aanhouding gezagsbeslissing in belang minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over de minderjarige te verkrijgen en een zorgregeling vast te stellen. De ouders zijn verwezen naar ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding, omdat zij deze trajecten nog niet zijn gestart. De rechtbank acht het in het belang van het kind dat beide ouders deelnemen aan deze hulpverlening.

De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling vast waarbij de omgang begeleid start met één dag per week enkele uren, met uitzicht op uitbreiding. Definitieve beslissingen over gezag en omgang worden aangehouden tot 1 oktober 2026, in afwachting van de uitkomsten van de hulpverleningstrajecten.

De rechtbank legt de verantwoordelijkheid bij het Kenniscentrum Kind en Scheiding om de trajecten te begeleiden en rapporteren. Indien de trajecten niet leiden tot een positief resultaat, kan de Raad voor de Kinderbescherming nader onderzoek verrichten en advies uitbrengen over de contactregeling en benodigde hulpverlening.

De moeder heeft verweer gevoerd, maar de rechtbank acht het belang van het kind en de noodzaak van hulpverlening zwaarder. De dwangsomverzoeken van de vader zijn ingetrokken en niet behandeld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en gericht op het waarborgen van stabiele en continue omgang in het belang van het kind.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om gezamenlijk gezag af en houdt verdere beslissingen aan tot 1 oktober 2026, met een voorlopige begeleide omgangsregeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3112
Zaaknummer: C/09/684217
Datum beschikking: 1 mei 2026

Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang

Beschikking op het op 17 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T.E. Baak in ‘s-Hertogenbosch.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;
  • het Verkort Clientplan voor de ouders van [minderjarige] van Jeugdformaat van 26 februari 2026;
  • de brief van 1 april 2026, met aanvullend verzoek en bijlagen, namens de vader.
Op 3 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

- De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in
[geboorteplaats] .
  • De vader heeft [minderjarige] erkend.
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
  • Bij voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 14 mei 2025 zijn de ouders doorverwezen naar ouderschapsbemiddeling en is iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de zorg- c. q. omgangsregeling in bodemprocedure aangehouden.
  • Er loopt op dit moment bij deze rechtbank een andere bodemprocedure ten aanzien van de vernietiging van de erkenning van de vader over [minderjarige] , bekend onder zaaknummer C/09/675724.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt de rechtbank – na wijziging – :
  • te bepalen dat partijen worden belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats];
  • te bepalen dat een zorgregeling wordt vastgesteld, in die zin dat [minderjarige] elke oneven week van zondag 17.00 uur tot de navolgende zondag om 17.00 uur bij de vader verblijft, althans een zodanige zorgregeling te bepalen als uw rechtbank in goede justitie juist acht;
  • te bepalen dat een regeling betreffende de verjaardagen, feestdagen en vakantiedagen wordt vastgesteld, in die zin dat [minderjarige] :
 tijdens de verjaardagen van de ouders bij de betreffende jarige ouder verblijft;
 op Vaderdag bij haar vader en op Moederdag bij haar moeder verblijft;
 op haar eigen verjaardag in de even jaren bij haar vader verblijft en in de onevenjaren bij de moeder;
 de feestdagen afwisselend doorbrengt, in die zin dat [minderjarige] het ene jaar de betreffende feestdag bij de ene ouder doorbrengt en het andere jaar bij de andere ouder;
 de helft van de schoolvakanties bij iedere ouder verblijft;
 althans een zodanige regeling te bepalen als uw rechtbank in goede justitie juist acht;
  • te bepalen dat moeder een dwangsom verbeurt van € 250 per dag of dagdeel dat zij de door uw rechtbank te bepalen zorgregeling en regeling betreffende de verjaardagen, feestdagen en vakantiedagen niet nakomt, meteen maximum van € 15.000, althans een zodanige dwangsom te bepalen als uw rechtbank in goede justitie juist acht;
  • indien uw rechtbank partijen nogmaals doorverwijst naar hulpverlening, te bepalen dat moeder haar onvoorwaardelijke en volledige medewerking daaraan dient te verlenen, op ieder eerste verzoek van de desbetreffende hulpverleningsinstantie, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag of dagdeel dat moeder haar medewerking daaraan niet verleent, met een maximum van € 15.000, althans een zodanige beslissing te nemen als uw rechtbank in goede justitie meent te behoren te beslissen;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft op de zitting zijn verzoek ten aanzien van de dwangsom ingetrokken. Daar hoeft de rechtbank niet op te beslissen.
De moeder heeft op de zitting mondeling verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Gezag
Wettelijk kader
Artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het verzoek wordt volgens het tweede lid van dit artikel slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Op de zitting is gebleken dat de situatie onveranderd is sinds de beschikking van de voorzieningenrechter van 14 mei 2025. De ouders zijn niet zijn gestart met het ouderschapsbemiddelingstraject en het omgangsbegeleidingstraject waar zij door de voorzieningenrechter naar zijn doorverwezen. Op de zitting is uitgebreid met beide ouders gesproken. In dit gesprek is voor beide ouders het belang duidelijk geworden van het volgen van het ouderschapsbemiddelingstraject OuderschapBlijft. Beide ouders hebben zich bereid verklaard gevonden aan dit traject deel te nemen. De rechtbank zal de ouders nogmaals doorverwijzen voor dit traject. In afwachting van de uitkomsten van het hulpverleningstraject zal de rechtbank iedere verdere definitieve beslissing ten aanzien van het gezag aanhouden voor een duur van zes maanden.
Omgangsregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Lid 3 van dit artikel bepaalt (voor zover hier van belang) dat omgang slechts wordt ontzegd indien omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang of omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De voorzieningenrechter heeft de ouders in de beslissing van 14 mei 2025, naast ouderschapsbemiddeling, ook doorverwezen naar een omgangsbegeleidingstraject tussen de vader en [minderjarige] . Dit traject is niet opgestart. De rechter zal, zoals op de zitting is besproken, de ouders nogmaals doorverwijzen. Hierbij wenst de rechtbank te benadrukken dat zij het in het belang van [minderjarige] acht dat beide ouders zich inzetten voor stabiele en continue omgang. Gezien de leeftijd van [minderjarige] acht de rechtbank een begeleide omgangsregeling in haar belang waarbij er wordt gestart met één dag in de week een paar uur omgang, waarbij spoedige uitbreiding naar het oordeel van de rechtbank mogelijk is. Indien de begeleide omgang goed verloopt, is het aan de betrokken hulpverleners om de begeleide omgangsregeling uit te breiden. Ook is het aan de betrokken hulpverleners om te bepalen wanneer er kan worden gestart met onbegeleide omgang. De rechtbank zal iedere verdere definitieve beslissing ten aanzien van de omgangsregeling aanhouden voor de duur van zes maanden in afwachting van de uitkomsten van de hulpverleningstrajecten.
Doorverwijzing UHA
Conform het bovenstaande zal de rechtbank de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan een ouderschapsbemiddelingstraject en een omgangsbegeleidingstraject, zoals blijkt uit het aan deze beschikking gehechte proces-verbaal van doorverwijzing. Dit proces-verbaal is reeds per e-mailbericht doorgezonden aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding (hierna: Kenniscentrum) voor deelname aan ouderschapsbemiddeling en omgangbegeleiding en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal ook deze beschikking per post zenden aan het Kenniscentrum.
De rechtbank verzoekt het Kenniscentrum om de eindrapportage over het verloop van de trajecten in te dienen op de hierna vermelde wijze. Indien de trajecten niet hebben geleid tot een positief resultaat dient het Kenniscentrum de eindrapportage tegelijkertijd ook te zenden aan de Raad. Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bezien of een onderzoek en advies van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan een rapport in te dienen. Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een nader onderzoek te verrichten indien het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. Daarbij dient in ieder geval onderzoek te worden gedaan naar de vraag welke contactregeling tussen de vader en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] is, wat hiervoor nodig is en welke hulpverlening eventueel ingeschakeld dient te worden.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] ,
wonende te [adres 1] , op een bij de rechtbank niet bekend adres, in de onderhavige procedure domicilie gekozen hebbend bij zijn advocaat,
en
[de moeder] ,
wonende te [adres 2] ;
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan de trajecten Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank rapporteert omtrent het verloop van voornoemde trajecten, met kopie aan beide ouders, in bodemprocedure;
*
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang aan tot1 oktober 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 1 mei 2026.
[afbeelding verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]