Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11557

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
NL26.23842
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 9 maart 2026 door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd. Hij vordert tevens schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de voortgangsrapportage van verweerder in overweging genomen.

De rechtbank toetst alleen de periode na het sluiten van het eerdere onderzoek op 3 april 2026, waarin de maatregel rechtmatig werd bevonden. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend is in de uitzetting, dat er geen zicht is op uitzetting, dat hij volledig meewerkt, geen overlast veroorzaakt en geen gevaar vormt voor de openbare orde. Ook voert hij aan dat een lichter middel passend zou zijn en dat hij familie in Nederland heeft waar hij kan verblijven.

De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende voortvarend handelt, met rappellen aan de Indiase autoriteiten en een vertrekgesprek. Er is nog zicht op uitzetting en geen signalen dat de Indiase autoriteiten niet meewerken. De stelling van eiser over familie in Nederland is onvoldoende onderbouwd. Het feit dat eiser geen overlast veroorzaakt of gevaar vormt, rechtvaardigt niet het opheffen van de maatregel omdat het risico bestaat dat hij zich aan toezicht onttrekt.

De rechtbank ziet geen grond voor onrechtmatigheid van de maatregel en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23842

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

1. Verweerder heeft op 9 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 april 2026 (in de zaak NL26.14156) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Kort samengevat voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting en dat er ook geen zicht is op uitzetting. Daarbij werkt eiser volledig mee aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Verder had verweerder kunnen volstaan met een lichter middel. Eiser heeft nooit overlast veroorzaakt in Nederland en is hij geen gevaar voor de openbare orde. Daarnaast heeft hij familie in Nederland waar hij zou kunnen verblijven. De maatregel is daarom disproportioneel.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank stelt het volgende vast. Verweerder heeft sinds de sluiting van het onderzoek in de zaak met zaaknummer NL26.14156 gerappelleerd over de aanvraag om een laissez-passer (lp) af te geven. Dit rappel was op 2 april 2026. Vervolgens heeft verweerder op 15 april 2026 met eiser een vertrekgesprek gehouden. Op 22 april 2026 is eiser in persoon gepresenteerd bij de ambassade van India. Een dag later, op 23 april 2026, heeft verweerder opnieuw gerappelleerd.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank handelt verweerder hiermee voldoende voortvarend. Weliswaar heeft eiser meegewerkt aan de presentatie in persoon, maar hieruit volgt niet dat verweerder sneller moet handelen dan hij nu doet. Verder is er nog steeds zicht op uitzetting. Niet is gebleken van signalen van de Indiase autoriteiten dat geen lp aan eiser zal worden verstrekt, of dat de Indiase autoriteiten in het algemeen geen medewerking (meer) verlenen aan gedwongen uitzetting. Verweerder is afhankelijk van de voortgang en werkwijze van de Indiase autoriteiten en mag de lp vooralsnog afwachten.
6.2.
Voor de beroepsgronden over het opleggen van een lichter middel, verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 3 april 2026 (in de zaak NL26.14156). In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft weliswaar gesteld, maar niet onderbouwd dat hij familie in Nederland heeft waar hij zou kunnen verblijven. Dat eiser geen gevaar is voor de openbare orde en geen overlast veroorzaakt is onvoldoende om te oordelen dat hij in vrijheid moet worden gesteld. Eiser zit namelijk niet vast voor overlast of openbare ordeproblemen, maar omdat er een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [1] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.