Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11552

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
NL26.23613
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 59b Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000 en afwijzing beroep tegen maatregel

De minister van Asiel en Migratie heeft op 24 april 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat hij een asielwens had, maar weigerde het M35-formulier te ondertekenen, waardoor geen lopende asielaanvraag bestond en hij geen rechtmatig verblijf had. De rechtbank oordeelde dat de minister de juiste grondslag voor bewaring heeft gehanteerd.

Eiser voerde aan dat de omzetting van de vorige maatregel van bewaring te laat had plaatsgevonden, maar de rechtbank stelde dat dit in een ander beroep aan de orde moet worden gesteld. De minister had voldoende zware en lichte gronden om de bewaring te dragen, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren.

Verder stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend handelde en dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn medische problemen. De rechtbank oordeelde dat de minister voortvarend handelde en dat de medische situatie geen detentieongeschiktheid opleverde. De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23613

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. H. Palanciyan, als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Is eiser op de juiste grondslag in bewaring gesteld?
1. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat hij niet op de juiste grondslag in bewaring is gesteld. Hij heeft namelijk meerdere keren aangegeven dat hij een asielwens heeft. Dat hij zijn asielaanvraag middels het M35-formulier vervolgens niet heeft willen ondertekenen, doet daar niet aan af. Schriftelijke ondertekening is namelijk geen vereiste voor het kenbaar maken van zijn asielwens.
1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat eiser op de juiste grondslag in bewaring is gesteld. Eiser heeft op 18 april 2026 in het gehoor voorafgaand aan de vorige maatregel van bewaring verklaard dat hij een asielwens heeft, maar heeft tijdens dat gehoor geweigerd zijn asielaanvraag te ondertekenen. Hij is daarna in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Op 21 april 2026 is aan eiser in het vertrekgesprek met zijn regievoerder van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) nogmaals de mogelijkheid gegeven om het M35-formulier te ondertekenen zodat de minister van start zou kunnen gaan met zijn asielprocedure. Eiser heeft dit echter opnieuw geweigerd. Ook na dit vertrekgesprek heeft eiser niet alsnog kenbaar gemaakt dat hij zijn asielaanvraag wil ondertekenen. Op de zitting heeft eiser desgevraagd evenmin duidelijkheid gegeven waarom hij het M35-formulier niet heeft willen ondertekenen, anders dan de verklaring dat hij eerst behandeld wil worden voor zijn medische problemen voordat hij asiel aanvraagt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister de uitingen van eiser over zijn asielwens niet (langer) heeft hoeven aan te merken als een daadwerkelijk verzoek om internationale bescherming. Dit betekent dat eiser geen lopende asielaanvraag heeft, en dus geen rechtmatig verblijf. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister eiser terecht op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef, en onder a, van de Vw 2000 in bewaring heeft gesteld.
Heeft de minister de maatregel tijdig omgezet?
2. Eiser voert verder aan dat, als de rechtbank van oordeel is dat de maatregel van bewaring op de juiste grondslag berust, de minister de maatregel van bewaring te laat heeft omgezet. De vorige maatregel van bewaring van 18 april 2026 was opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat eiser in het gehoor voorafgaand aan deze maatregel had verklaard asiel te willen aanvragen. Op 21 april 2026 heeft eiser tijdens een gesprek met DT&V echter verklaard dat hij zijn asielaanvraag niet wil ondertekenen. De maatregel van bewaring is vervolgens pas drie dagen later, op 24 april 2026, opgeheven en omgezet naar de voorliggende maatregel. Dit is buiten de termijn van twee dagen die hiervoor geldt.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De vraag of de vorige maatregel van bewaring van 18 april 2026 te laat is omgezet, kan naar het oordeel van de rechtbank niet in het voorliggende beroep worden beantwoord. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat eiser een dergelijke vraag aan de orde dient te stellen in een eerste beroep tegen de eerdere maatregel van 18 april 2026 of, als de rechtbank hier al over heeft geoordeeld, in een beroep tegen het voortduren daarvan. [1]
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als
zware grondenvermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als
lichte grondenvermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
Eiser heeft de gronden niet betwist. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden feitelijk juist en voldoende (gemotiveerd) om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom dragen.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
4. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt als het gaat om de behandeling van zijn asielaanvraag. Zo hebben de gehoren (nog) geen doorgang gevonden.
4.1.
Zoals de rechtbank in 1.1 heeft overwogen, heeft de minister terecht artikel 59, eerste lid, aanhef, en onder a, van de Vw 2000 ten grondslag gelegd aan de maatregel van bewaring. Eiser zit dus in bewaring op de grondslag dat hij geen rechtmatig verblijf heeft, en niet in het kader van een lopende asielaanvraag. Alleen hierom kan deze beroepsgrond al niet slagen. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister op 28 april 2026 een vertrekgesprek heeft gevoerd en dat op 29 april 2029 een verzoek aan de Libische autoriteiten is verzonden om de eisers nationaliteit vast te stellen. De minister werkt dus voortvarend aan eisers uitzetting.
Had de minister een lichter middel moeten opleggen?
5. Eiser betoogt tot slot dat de minister een lichter middel had moeten opleggen dan de inbewaringstelling. Hij heeft namelijk medische problemen.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in de maatregel van bewaring gemotiveerd waarom hij het noodzakelijk vindt om eiser in bewaring te stellen en waarom een minder dwingende maatregel niet doeltreffend is toe te passen. Zoals overwogen in 3.1 zijn er voldoende gronden die de maatregel kunnen dragen. Verder heeft de minister in de maatregel van bewaring de medische problemen van eiser betrokken, maar zich op het standpunt gesteld dat deze niet maken dat eiser detentieongeschikt is. Mocht eiser medische zorg nodig hebben, dan is in het detentiecentrum medische zorg aanwezig die gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [2]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:67 en ABRvS 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5945.
2.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).