ECLI:NL:RBDHA:2026:11551

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
NL25.19339
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Verordening (EG) 810/2009Art. 32, eerste lid, Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende aannemelijkheid reisdoel en verblijf

Eiser, een Ghanees staatsburger, diende op 11 januari 2023 een aanvraag in voor een visum kort verblijf met het doel zijn neef te bezoeken en een zakenbezoek te brengen voor zijn onderneming in auto-onderdelen. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op 13 januari 2023 wegens onvoldoende bewijs van de familierechtelijke relatie en het reisdoel, en handhaafde dit besluit bij bezwaar op 27 maart 2025.

Eiser stelde in beroep dat de minister ten onrechte zijn aanvraag als kennelijk ongegrond had afgewezen en overhandigde een document ter onderbouwing van de familierelatie. De rechtbank oordeelde dat dit document niet in de besluitvorming was meegenomen en inhoudelijk onvoldoende was. Ook ontbrak verdere onderbouwing van het zakenbezoek en was de hotelreservering geannuleerd zonder vervanging.

De rechtbank stelde vast dat de minister terecht oordeelde dat het reisdoel en de verblijfsomstandigheden onvoldoende aannemelijk waren gemaakt. Daarnaast was het niet noodzakelijk eiser te horen in bezwaar omdat redelijkerwijs geen andere uitkomst te verwachten was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van reisdoel en verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.19339
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

met de Ghanese nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S. de Schutter),
en

de minister van buitenlandse zaken, verweerder, hierna de minister

(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

Procesverloop

Eiser heeft op 11 januari 2023 een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 13 januari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van afwezigheid niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die daartoe zijn aangevoerd, de beroepsgronden.
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna zal zij verder toelichten hoe zij tot dat oordeel is gekomen en welke gevolgen dat oordeel heeft.
De aanvraag
3. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf met als doel om zijn neef (referent) te bezoeken. Ook wil eiser in het kader van een zakenbezoek naar Nederland komen. Hij wil onderzoeken of hij in Nederland zaken kan doen voor zijn onderneming, een handel in auto-onderdelen. Eiser is van plan om tijdelijk in een hotel te verblijven en tijdelijk bij zijn neef te verblijven. Hiertoe heeft eiser een reservering bij een hotel en een logiesverklaring overgelegd.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eiser met het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit afgewezen, omdat de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent niet is onderbouwd met bewijsstukken. Ook het reisdoel in het kader van een zakenbezoek is volgens de minister onvoldoende onderbouwd. Er zijn geen stukken overgelegd om dit nader te onderbouwen. Verder is de hotelreservering die eiser heeft overgelegd, geannuleerd. Eiser heeft geen nieuwe reservering overgelegd. Het doel en de verblijfsomstandigheden zijn dan ook onvoldoende aangetoond [1] en zijn aanvraag is om deze reden dan ook afgewezen als kennelijk ongegrond. Er is daarom geen hoorzitting gehouden.
De beroepsgronden
5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn aanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. In beroep heeft eiser een document overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij een familierechtelijke relatie heeft met referent. Eiser had al aangekondigd dat dit document zou worden overgelegd en het had op de weg van de minister gelegen om eiser hiernaar te vragen. Ten onrechte is eiser ook niet gehoord. Hij had op een hoorzitting een toelichting kunnen geven over zijn reisdoel en over de stukken die nog ontbraken.
Zijn het reisdoel en de reisomstandigheden voldoende aannemelijk gemaakt?
6. De rechtbank overweegt dat de weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode ieder afzonderlijk voldoende zijn om een visum te weigeren. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie beschikt de minister over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van deze weigeringsgronden van toepassing is. [2]
6.1.
De rechtbank stelt het volgende vast. Het stuk dat eiser heeft overgelegd in beroep is niet meegenomen in de besluitvorming en gelet op de ex tunc toetsing [3] heeft de minister dit ook niet alsnog hoeven meenemen. De minister heeft daarbij kunnen opmerken dat het stuk inhoudelijk ook niet de relatie tussen neef en referent onderbouwt, nu het de verklaring van eiser zelf betreft. Eiser heeft verder geen onderbouwing gegeven van zijn gestelde reisdoel met betrekking tot het zakenbezoek. De minister heeft terecht vastgesteld dat eiser geen nieuwe hotelreservering heeft ingebracht en daarmee geen nadere onderbouwing heeft gegeven van zijn verblijf in Nederland. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat het reisdoel en de reisomstandigheden van eisers verblijf onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Had eiser moeten worden gehoord in bezwaar?
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser niet had hoeven horen. De minister mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. De minister heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Daarom mocht van horen in de bezwaarfase worden afgezien. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister niet ten onrechte de visumaanvraag van eiser heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zoals volgt uit artikel 31, eerste lid, van de Verordening (EG) 810/2009 (Visumcode).
2.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland., r.o. 60.
3.De toetsing van de omstandigheden zoals die waren ten tijde van het te nemen besluit.