Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11530

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/09/703669 KG ZA 26-412
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Verordening (EU) nr. 1215/2012Art. 1 lid 2 onder a Verordening (EG) nr. 864/2007Art. 4 lid 1 Verordening (EG) nr. 864/2007Art. 4 lid 2 Verordening (EG) nr. 864/2007Art. 4 lid 3 Verordening (EG) nr. 864/2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot opheffing uitreisverbod in Iran opgelegd door man aan vrouw

De vrouw vordert in kort geding dat de man wordt veroordeeld om het uitreisverbod dat hij in Iran aan haar heeft laten opleggen, per direct te laten opheffen. De man is niet verschenen, waardoor verstek is verleend.

De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is op grond van Brussel I-bis-verordening, aangezien de man in Nederland woont. Het toepasselijke recht is Nederlands recht, omdat beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, ondanks het feit dat de vrouw momenteel in Iran verblijft door het uitreisverbod.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de man niet zelf het uitreisverbod kan opheffen, maar wel verplicht is alle noodzakelijke handelingen te verrichten, waaronder het doen van een schriftelijk verzoek bij de Iraanse ambassade. De vordering wordt toegewezen met een dwangsom van €500 per dag, gemaximeerd op €25.000. Iedere partij draagt haar eigen proceskosten.

Uitkomst: De man is veroordeeld om binnen zeven dagen alle noodzakelijke handelingen te verrichten om het uitreisverbod in Iran op te heffen, met een dwangsom bij niet-nakoming.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703669 KG ZA 26-412
Vonnis in kort geding van 13 mei 2026
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. A. Hashem Jawaheri,
tegen:
[de man]te [woonplaats] ,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1.De procedure

1.1.
De vrouw heeft vorderingen ingesteld zoals opgenomen in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid en heeft ter zitting van 29 april 2026 bij de daarin opgenomen eis volhard.
1.2.
De man is behoorlijk opgeroepen tegen die terechtzitting, maar hij is daar niet verschenen. Tegen de man is verstek verleend.

2.De beoordeling van het geschil

Bevoegdheid
2.1.
Dit kort geding heeft een internationaal karakter. Door toedoen van de man is in Iran aan de vrouw een uitreisverbod opgelegd, waardoor de vrouw op dit moment Iran niet kan verlaten. Daarom moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen.
2.2.
De man is gedaagde en woont in Nederland. Daarom komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe op grond van artikel 4 van Pro de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis).
Toepasselijk recht
2.3.
Vervolgens moet worden beoordeeld welk recht van toepassing is in deze zaak. De bepaling van het toepasselijke recht moet plaatsvinden aan de hand van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, PbEU 2007, L 199/40 (hierna: Rome II). De vordering heeft namelijk betrekking op een door deze verordening bestreken onderwerp; een onrechtmatige daad. Uit artikel 1 lid 2 onder Pro a Rome II volgt dat niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit familierechtelijke betrekkingen zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van Rome II. De man heeft het uitreisverbod naar Iraans (familie)recht opgelegd aan de vrouw, zodat Rome II in beginsel niet van toepassing is. Artikel 10:159 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) bepaalt echter dat Rome II van overeenkomstige toepassing is op verbintenissen die buiten de werkingssfeer van de Rome II vallen en die als onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt.
2.4.
Het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad is het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen (artikel 4 lid 1 Rome Pro II). Als degene wiens aansprakelijkheid in het geding is en degene die schade lijdt beiden hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip waarop de schade zich voordoet, is het recht van dat land van toepassing (artikel 4 lid 2 Rome Pro II). Indien de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander land, is het recht van dat andere land van toepassing (artikel 4 lid 3 Rome Pro II). In dit geval heeft de vrouw onweersproken aangevoerd dat beide partijen hun gewone verblijfplaats in [plaats] hebben, zodat Nederlands recht van toepassing is. Het feit dat de vrouw inmiddels ongeveer 10 maanden noodgedwongen in Iran verblijft, maakt dat niet anders. Dit is immers het gevolg van het door toedoen van de man opgelegde uitreisverbod.
Beoordeling
2.5.
De voorzieningenrechter begrijpt de vordering van de vrouw aldus dat de man veroordeeld moet worden om alle benodigde handelingen te verrichten om het door toedoen van de man aan de vrouw opgelegde uitreisverbod in Iran per direct op te (laten) heffen dan wel in te (laten) trekken. De man kan het uitreisverbod immers niet, zoals in de dagvaarding is opgenomen, zelf opheffen; die bevoegdheid komt aan de Iraanse autoriteiten toe. De voorzieningenrechter begrijpt verder dat de opheffing dan wel intrekking van het uitreisverbod via de Iraanse ambassade kan worden bewerkstelligd. Voor de volledigheid zal dit in het dictum worden opgenomen. De vordering komt de voorzieningenrechter noch onrechtmatig noch ongegrond voor en wordt daarom – op de wijze zoals hierna vermeld – toegewezen.
2.6.
Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.
2.7.
In de omstandigheid dat partijen (gewezen) echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
3.1.
verleent verstek tegen gedaagde;
3.2.
veroordeelt de man om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis al het nodige te doen om het door toedoen van de man aan de vrouw opgelegde uitreisverbod in Iran per direct op te (laten) heffen dan wel in te (laten) trekken, waaronder ten minste valt het doen van een schriftelijk verzoek hiertoe bij de Iraanse ambassade in Nederland;
3.3.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500 voor iedere dag dat hij niet aan de in 3.2. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000 is bereikt;
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
3556