Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het UWV van 20 maart 2026 om per 31 juli 2025 de Ziektewet-uitkering te beëindigen. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting en stelt vast dat het verzoek kennelijk ongegrond is.
De kern van de afwijzing is het ontbreken van een spoedeisend belang. Hoewel verzoeker aangeeft sinds augustus 2025 zonder inkomen te zitten en bezig is met het aanvragen van een bijstandsuitkering, heeft hij dit niet met stukken onderbouwd. De voorzieningenrechter verwijst naar eerdere uitspraken waarin het spoedeisend belang wel was aangetoond, maar benadrukt dat deze niet vergelijkbaar zijn met de huidige situatie.
De voorzieningenrechter concludeert dat er geen acute financiële nood of onomkeerbare situatie is die onmiddellijke voorziening rechtvaardigt. Daarom wordt het verzoek afgewezen zonder proceskostenveroordeling. Deze uitspraak bindt niet in een eventueel bodemgeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.