ECLI:NL:RBDHA:2026:11521

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
26/3101
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij beëindiging Ziektewet-uitkering

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het UWV van 20 maart 2026 om per 31 juli 2025 de Ziektewet-uitkering te beëindigen. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting en stelt vast dat het verzoek kennelijk ongegrond is.

De kern van de afwijzing is het ontbreken van een spoedeisend belang. Hoewel verzoeker aangeeft sinds augustus 2025 zonder inkomen te zitten en bezig is met het aanvragen van een bijstandsuitkering, heeft hij dit niet met stukken onderbouwd. De voorzieningenrechter verwijst naar eerdere uitspraken waarin het spoedeisend belang wel was aangetoond, maar benadrukt dat deze niet vergelijkbaar zijn met de huidige situatie.

De voorzieningenrechter concludeert dat er geen acute financiële nood of onomkeerbare situatie is die onmiddellijke voorziening rechtvaardigt. Daarom wordt het verzoek afgewezen zonder proceskostenveroordeling. Deze uitspraak bindt niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3101

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. I.P.J.F. van Oijen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: [naam] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 20 maart 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het Uwv heeft in het besluit van 20 maart 2026 bepaald dat verzoeker per 31 juli 2025 geen Ziektewet-uitkering krijgt. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de rechtbank

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert aan dat hij niet kan voorzien in het levensonderhoud en de vaste lasten niet meer kan voldoen. Hij geeft aan dat hij sinds augustus 2025 zonder inkomen zit. Hij is bezig met het aanvragen van een bijstandsuitkering, maar die is nog niet toegekend. Hij verwijst naar drie uitspraken van de rechtbank Rotterdam.
4. Verweerder geeft aan dat verzoeker pas na het besluit van 20 maart 2026 een bijstandsuitkering heeft aangevraagd en dat hij zijn stellingen waaruit een acute financiële noodsituatie zou blijken niet heeft onderbouwd met nadere stukken.
5. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker in het geheel niet heeft onderbouwd dat sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker inmiddels een bijstandsuitkering heeft aangevraagd, maar hij heeft niet met stukken onderbouwd dat hij de uitkomst van die aanvraag niet kan afwachten vanwege een acute financiële noodsituatie. De uitspraken van de rechtbank Rotterdam ECLI:NL:RBROT:2017:6864 en 2021:906 waar verzoeker naar verwijst gaan over respectievelijk de intrekking en de verlaging van een bijstandsuitkering en dus, anders dan in het geval van verzoeker, over belastende besluiten, zodat de bewijslast daar primair bij het bestuursorgaan lag. In ECLI:NL:RBROT:2022:706 ontving verzoekster al een bijstandsuitkering, en had verzoekster met stukken onderbouwd wat haar spoedeisend belang was aan de hand van haar inkomsten en vaste lasten. Verzoeker heeft dat in deze voorlopige voorziening niet gedaan. Deze uitspraken zijn dus niet vergelijkbaar met de situatie van verzoeker.

Conclusie en gevolgen

6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang aannemelijk is gemaakt. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.